BAC 2023-11488
Publicatiedatum 11-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 december 2022 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 19 december 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 16 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 16 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 16 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2009. UHT heeft ambtshalve de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 beoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds golden, niet van toepassing zijn op de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Evenmin is voor het toeslagjaar 2011 de tegemoetkoming wegens opzet of grove schuld (hierna: O/GS) van artikel 49c van de Awir van toepassing.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 16 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 januari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 23 april 2025 schriftelijk gereageerd.
- Op 19 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 9 oktober 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2009 tot en met 2011
De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 af te wijzen.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2009
Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie. Zij betwist de KOT zelf te hebben stopgezet.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
De Commissie maakt uit het dossier op dat de verlaging in 2009 gebaseerd is op een stopzetting van de KOT op 21 november 2009 met ingang van 1 januari 2009. Uit het XML-bestand volgt dat het BSN van belanghebbende is gebruikt voor het doorgeven van de stopzetting. Bovendien bevat het XML-bestand geen username van een ambtenaar, hetgeen volgens UHT wel het geval is als een ambtenaar een digitale wijziging doorvoert.1 De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat belanghebbende zelf de stopzetting heeft doorgegeven.
De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat in het toeslagjaar 2009 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. De Commissie zal daarom adviseren deze bezwaren ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2010 en 2011
Belanghebbende bestrijdt dat in de toeslagjaren 2010 en 2011 geen opvang zou hebben plaatsgevonden.
UHT erkent dat sprake was van vooringenomenheid, omdat belanghebbende onvoldoende gelegenheid heeft gehad om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Volgens UHT bestaat er echter geen recht op compensatie, aangezien uit de voorhanden zijnde gegevens niet aannemelijk is geworden dat gekwalificeerde opvang is afgenomen. Daarmee is volgens UHT sprake van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende geen gegevens heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij in de toeslagjaren 2010 en 2011 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De enkele stelling van belanghebbende dat thans niet meer kan worden achterhaald of opvang heeft plaatsgevonden is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Evenmin is aannemelijk geworden dat belanghebbende destijds werkte, dan wel de status doelgroeper had.
Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is het niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in de toeslagjaren 2010 en 2011 geregistreerde opvang heeft genoten. De Commissie is derhalve van opvatting dat UHT zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een situatie waarin belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie adviseert UHT derhalve het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing O/GS-tegemoetkoming toeslagjaren 2009 tot en met 2011
UHT heeft ambtshalve vastgesteld dat belanghebbende alsnog in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming van € 3.655 voor het toeslagjaar 2011. Voor de toeslagjaren 2009 en 2010 is volgens UHT geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat belanghebbende voor die jaren geen aanspraak heeft op een tegemoetkoming.
UHT acht het bezwaar op dit onderdeel dan ook gedeeltelijk gegrond. De Commissie zal UHT dienovereenkomstig adviseren.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de opvatting van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van de bestreden beschikking met kernmerk UHT-DCHA adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
1 Rechtbank Amsterdam 10 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1937.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT, de hiervoor geformuleerde vraag deels ontkennend beantwoordend, om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking van 16 december 2022 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren; en om:
- voor het toeslagjaar 2011 een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen en de bestreden beschikking in zo verre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter