BAC 2025-15731
Publicatiedatum 16-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA
Hoorzitting: 11 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 26 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 5 oktober 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de beoordeling aangepast naar de jaren 2008 tot en met 2012 (hierna: de betrokken jaren). - UHT heeft bij besluit van 10 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000. Met de voorlopige beslissing inzake de integrale beoordeling van de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2008 tot en met 2012 heeft UHT geen compensatie toegekend op basis van de drie herstelregelingen.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 september aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft met de definitieve beschikking inzake de beoordeling van de kinderopvangtoeslag van 5 oktober 2023, met kenmerk UHT-DCHA (hierna: de bestreden beschikking), aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 november 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend. UHT heeft hierop schriftelijk gereageerd op 1 april 2025.
- De Commissie heeft op 10 november 2025 aanvullende informatie van UHT ontvangen. Op 11 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarvan een verslag is gemaakt dat achter het advies is gevoegd.
- Op 19 november 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht, waarop gemachtigde op 19 december 2025 per e-mail heeft gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal allereerst ingaan op de bezwaren van belanghebbende die ziet op de op zaak betrekking hebbende stukken, het motiveringsbeginsel, vermeende strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en het beginsel van “equality of arms”, alsmede op de automatische continuering van de KOT.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat zij niet beschikt over het volledige dossier. Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde ter beschikking te stellen. Hieronder vallen onder meer de volledige betaal- en verrekenoverzichten (LIC-overzichten), het informatie- en beoordelingsformulier en de tijdlijn.
De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 29 juli 2025 in het bezit is gesteld van nagenoeg alle op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, de tijdlijn en de beschouwing van 1 april 2025.
In de op de zaak betrekking hebbende stukken waren de uitbetalingsoverzichten van de KOT over de jaren 2008 tot en met 2012 opgenomen, maar de LIC-overzichten van deze jaren ontbraken. Op verzoek van de Commissie zijn deze overzichten op 10 november 2025 alsnog verstrekt.
Naar aanleiding van de hoorzitting heeft UHT op 19 november 2025 een aanvullende beschouwing ingediend en informatie verstrekt over het woonadres van belanghebbende.
De Commissie is van oordeel dat belanghebbende hiermee alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen.
Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Het motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk en controleerbaar is gemotiveerd waarom over de jaren 2008 tot en met 2012 geen aanspraak op compensatie bestaat. Volgens belanghebbende zou de bestreden beschikking daarom in strijd zijn met het motiveringsbeginsel.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking uitvoerig en goed onderbouwd heeft gemotiveerd. In de beschouwingen van 1 april 2025 en 19 november 2025 heeft UHT, met verwijzing naar diverse producties van de onderliggende stukken, op een inzichtelijke wijze toegelicht waarom belanghebbende over de betrokken jaren geen recht heeft op compensatie. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Strijd met artikel 6 EVRM en het beginsel van “equality of arms”
Belanghebbende stelt dat niet is voldaan aan het beginsel van “equality of arms”, zoals bedoeld in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet zou beschikken over het volledige dossier.
De Commissie merkt op dat zij fungeert als een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen zoals neergelegd in de Awb. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Zoals eerder vastgesteld, zijn alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de vorm van een bezwaardossier aan de gemachtigde verstrekt. Deze stukken zijn door de Commissie beoordeeld en op 11 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van zowel belanghebbende als UHT. Na afloop van de hoorzitting heeft belanghebbende op 19 december 2025 nog gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT van 19 november 2025.
De Commissie is van oordeel dat in deze procedure geen sprake is geweest van schending van het “equality of arms” beginsel. Gelet hierop treft deze bezwaargrond geen doel.
Automatische continuering van de KOT
Volgens de Commissie hoeft een aanvrager van KOT in beginsel niet jaarlijks opnieuw een aanvraag in te dienen. De toekenning geldt voor onbepaalde tijd, zolang de omstandigheden ongewijzigd blijven en de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) de beschikking niet expliciet beëindigt. Dit volgt uit artikel 15, vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Het recht op KOT loopt automatisch door naar de daaropvolgende jaren, tenzij B/T de beschikking op grond van artikel 15, zesde lid, beëindigt. Het is daarbij van belang dat de aanvrager wijzigingen in relevante omstandigheden — zoals het inkomen, het aantal opvanguren of de gezinssamenstelling — tijdig doorgeeft. Dit voorkomt dat er te veel of te weinig KOT wordt toegekend.
Gemachtigde spreekt de wens uit dat aanvullende waarborgen worden geïntroduceerd rondom automatische verlenging. Hij stelt voor om de KOI-viewer als indicatie te gebruiken voor verlenging, gegevens uit deze viewer te betrekken bij de berekening van het voorschot, en actuele informatie uit andere toeslagen — zoals inkomensgegevens en de toeslagpartnersituatie — mee te nemen in de beoordeling.
Hoewel de Commissie begrip heeft voor deze wens, wijkt deze af van de wettelijke systematiek zoals neergelegd in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Awir. In deze bepalingen is een actieve informatieplicht opgenomen voor belanghebbenden.
Zij zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig en correct doorgeven van relevante wijzigingen in persoonlijke en financiële omstandigheden. Alleen als zijn deze verplichting naleven kan B/T de KOT op juiste wijze vaststellen en beheren.
De Commissie zal nu overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beschikking van 5 oktober 2023 waarbij belanghebbende over de jaren 2008 tot en met 2012 niet in aanmerking kan komen voor compensatie.
Afwijzing van compensatie over de jaren 2008 tot en met 2012
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld, noch dat het stelsel in die jaren een te harde uitwerking heeft gehad.
De Commissie heeft vastgesteld dat de KOT in de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 meerdere malen neerwaarts is bijgesteld als gevolg van reguliere wijzigingen. In 2008 vond tweemaal een neerwaartse bijstelling plaats: eenmaal naar aanleiding van een door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting per
1 oktober 2008 en eenmaal wegens een wijziging in het gezamenlijk toetsingsinkomen. Ook in 2009 is de KOT tweemaal verlaagd, enerzijds vanwege een wijziging in het aantal opvanguren en anderzijds omdat belanghebbende een bijdrage ontving van de gemeente of het UWV. In 2010 is de toeslag eenmaal neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van de jaaropgave van de afgenomen kinderopvang. Voor 2011 heeft eveneens één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden, gebaseerd op een door belanghebbende gemelde stopzetting per 1 december 2011.
De Commissie overweegt dat dergelijke reguliere bijstellingen in beginsel geen recht geven op een hardheidstegemoetkoming. Op basis van de beschikbare gegevens en documentatie is niet gebleken dat voor de jaren 2008 tot en met 2011 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling. Voor 2008 en 2009 is weliswaar sprake geweest van een aanzienlijke verlaging van de KOT (meer dan € 1.500), maar uit de stukken blijkt dat in beide jaren niet méér dan € 1.500 onterecht aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald. Daarmee is niet voldaan aan de financiële drempel voor toepassing van de hardheidsregeling. Daarnaast zijn geen bijzondere of verzachtende omstandigheden aannemelijk geworden. Voor de jaren 2010 en 2011 bleven de terugvorderingen onder de grens van € 1.500, zodat om die reden deze jaren buiten het bereik van de hardheidsregeling vallen.
Op basis van het voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 geen recht bestaat op toepassing van de hardheidsregeling. De neerwaartse bijstellingen van de kinderopvangtoeslag betreffen reguliere wijzigingen, de financiële drempel voor de hardheidsregeling is in geen van de jaren overschreden, en er zijn geen bijzondere of verzachtende omstandigheden vastgesteld die een uitzondering rechtvaardigen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2012 stelt de Commissie vast dat de KOT viermaal neerwaarts is bijgesteld. Tweemaal gebeurde dit wegens een stopzetting, eenmaal omdat belanghebbende over de periode van 28 augustus tot en met 12 september 2012 geen KOT ontving wegens het ontbreken van geregistreerde adresgegevens, en eenmaal wegens een verlaging van het toetsingsinkomen. Na afloop van de hoorzitting heeft UHT op 19 november 2025 nadere informatie ingebracht over het woonadres van belanghebbende voor de periode 30 augustus tot en met
12 september 2012 en over de stopzetting van 28 februari 2012.
De Commissie gaat eerst in op de telefonische stopzetting vanaf 28 februari 2012. Uit de melding blijkt dat namens betrokkene een telefonische stopzetting van de KOT is doorgegeven. De melding is op 28 februari 2012 om 10:37 uur ontvangen via het kanaal “telefonisch” en geregistreerd onder melding ID 144115188727505061. Als brontype is vermeld “07 – Namens burger”, hetgeen erop duidt dat de stopzetting door of namens belanghebbende is gemeld. Het betreft een wilsuiting met ingangsdatum 1 januari 2012, die administratief is vastgelegd als “009 – Burger zet toeslag stop”. Op grond van deze gegevens concludeert de Commissie dat de stopzetting per 1 januari 2012 op reguliere wijze is ontvangen en verwerkt en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze stopzetting niet door of namens haar is ingediend.
UHT heeft toegelicht dat bij beschikking van 23 oktober 2012 de KOT is verlaagd van € 6.230 naar € 5.793, omdat in de periode van 29 augustus tot en met
12 september 2012 geen adresgegevens van belanghebbende bekend waren.
Voor de toekenning van KOT geldt dat het kind op hetzelfde adres moet zijn ingeschreven als de aanvrager. Omdat belanghebbende in die periode als “Vertrokken Onbekend Waarheen” (hierna: VOW) stond geregistreerd en geen adres had doorgegeven, bestond geen recht op KOT.
Belanghebbende heeft verklaard dat zij met haar kind bij haar moeder verbleef en dat B/T geen contact met haar of de kinderopvanginstelling heeft opgenomen.
Dit is een te harde toepassing van het beleid, maar geen bewijs van voorin-genomen handelen. De verlaging bedroeg minder dan € 1.500, zodat de hardheidsregeling niet van toepassing is.
De Commissie overweegt dat B/T in beginsel mag afgaan op de geregistreerde gegevens in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP). Wanneer iemand als VOW staat geregistreerd, ontbreekt een woonadres in Nederland. Hierdoor vervalt het recht op toeslag gedurende de periode dat deze registratie geldt. Afwijking van deze regel is alleen mogelijk in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij co-ouderschap of wanneer objectief kan worden aangetoond dat de BRP-registratie onjuist is; hiervoor is zwaarwegend bewijs vereist. De Commissie stelt vast dat een dergelijk bewijs in dit geval niet is geleverd. Daarnaast is B/T niet verplicht om bij elke onduidelijkheid of korte periode van een VOW-registratie zelfstandig nader onderzoek te verrichten. De bewijslast voor het recht op KOT ligt bij de aanvrager.
Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat er geen sprake is van vooringenomen handelen door B/T.
Met betrekking tot de hardheidsregeling overweegt de Commissie dat sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die recht geeft op compensatie indien de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en deze toeslag vervolgens bij de ouder is teruggevorderd. Hiervoor geldt de voorwaarde dat ten minste € 1.500 te veel is uitbetaald aan de instelling en dat dit bedrag niet aan de ouder ten goede is gekomen.
Uit het LIC-overzicht blijkt dat B/T aan de kinderopvanginstelling € 7.539 heeft uitbetaald, terwijl de totale opvangkosten € 7.575,41 bedroegen. Hieruit volgt dat de KOT volledig is aangewend ter bestrijding van de kosten van de kinderopvang.
De Commissie concludeert dat belanghebbende geen beroep kan doen op de hardheidsregeling, omdat de vereiste grens van € 1.500 niet is overschreden en er geen andere bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen.
Tot slot is de Commissie van oordeel dat UHT de afwijzing van een O/GS-tegemoetkoming voldoende gemotiveerd en overtuigend heeft toegelicht. Belanghebbende heeft over de betrokken jaren geen onterechte O/GS-kwalificatie ontvangen.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden beschikking te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter