Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15541

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 juni 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: 15 januari 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 66.364 voor de jaren 2005 en 2008 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2011. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid naar de toeslagjaren 2005 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 11 juni 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid , van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2006 en 2007.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 30 januari 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011 een voorlopige vergoeding toegekend voor een bedrag van € 55.703. Dit bedrag is voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2011 per voorlopige beschikking van 22 april 2024 met kenmerk UHT-VCH verhoogd naar een bedrag van € 66.134. Voor de toeslagjaren 2006 en 2007 is in beide vooraankondigingen aan belanghebbende geen vergoeding toegekend.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 juni 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2011 een definitieve vergoeding toegekend voor een bedrag van € 66.364. Voor de toeslagjaren 2006 en 2007 is aan belanghebbende geen vergoeding toegekend.
  • Gemachtigde heeft op 22 juni 2024 tegen deze definitieve beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 4 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 15 oktober 2025 het bezwaar schriftelijk aangevuld.
  • Op 30 oktober 2025 heeft gemachtigde namens belanghebbende medegedeeld geen gebruik te willen maken van het recht om gehoord te worden en dat de zaak op stukken kan worden afgedaan. De hoorzitting van 18 december 2025 heeft om deze reden geen doorgang gevonden.
  • Gemachtigde heeft op 16 december 2025 schriftelijk gereageerd op de schriftelijke beschouwing van UHT. UHT heeft hier op 22 december 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commmissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4, lid 2 Awb en artikel 5.2, leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 10 juli 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt ongegrond.

Motivering van de beschikking

Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT de bestreden beschikking bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door de B/T of van bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist.

Voorts merkt de Commissie op dat deze bezwaarschriftenprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de CWS. Hiervoor is op 25 november 2025 een nieuw aanmeldportaal geopend. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat de B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Beslissen op bezwaar

Belanghebbende heeft aangevoerd dat het niet beslissen op bezwaren die in de herbeoordeelde jaren door belanghebbende zijn gemaakt, vooringenomen handelen oplevert.

Met UHT stelt de Commissie vast dat een dergelijke situatie zich in het geval van belanghebbende niet heeft voorgedaan en adviseert daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.

Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

FSV-lijst, O/GS en discriminatie

Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat zij op goede gronden niet voor een O/GS-tegemoetkoming in aanmerking is gebracht en dat er geen sprake is geweest van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. In de schriftelijke beschouwing is, samen met een kopie Dagboek FSV, aangegeven dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. De Commissie overweegt dat UHT mag uitgaan van de juistheid van deze constatering.

O/GS

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd, Evenmin blijkt uit het dossier dat er een betalingsregeling is geweigerd. De Commissie is van oordeel, dat UHT mag uitgaan van de juistheid van de constatering, dat er geen sprake is geweest van O/GS kwalificatie. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.

Discriminatie

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

De hoogte van de compensatieberekening

Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening, voor zover die voor haar op basis van de beschikbare stukken te controleren valt, niet correct is. Zij betwist meer concreet de hoogte van de componenten a (KOT voor het onderzoek), waarbij zij een verzoek doet om een herberekening van component a over alle toeslagjaren, en van component g (niet terugbetaalde/verrekende KOT) over het toeslagjaar 2011. Voorts stelt belanghebbende dat zij in aanmerking dient te komen voor compensatie op grond van hardheid voor het toeslagjaar 2006.

Herberekening component a (toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2011)

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011 (component g)

Belanghebbende stelt dat in de compensatieberekening voor het toeslagjaar 2011 ten onrechte onder component g een bedrag van € 7.287 is opgenomen, terwijl dit € 6.639 zou moeten zijn.

De Commissie merkt op dat in het dossier twee overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) van het toeslagjaar 2011 aanwezig zijn (pagina 224 en pagina 400), die inhoudelijk hetzelfde zijn. De verrekening van € 648 op 7 december 2010 staat op beide overzichten vermeld, maar op het LIC-overzicht op pagina 224 in een andere kolom, waardoor het lijkt alsof dit bedrag daar niet is meegenomen. Het uiteindelijk ontvangen, vervolgens teruggevorderde en tenslotte verwijderde bedrag bedraagt € 7.287. Naar het oordeel van de Commissie is component g in de berekening van UHT correct verwerkt. Het bezwaar op dit punt wordt daarom ongegrond verklaard.

Toeslagjaar 2006 (verrekening)

Belanghebbende voert aan dat zij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over jaar 2006 met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De toeslagen (waaronder de toegekende KOT) in latere jaren zijn niet (volledig) aan belanghebbende uitbetaald, omdat de KOT-schuld over het jaar 2006 van € 3.539 hiermee is verrekend.

Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling blijkt niet dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wetgever heeft de situatie van verrekening van terecht teruggevorderde toeslagen niet expliciet genoemd als grond voor toekenning van compensatie Alleen als de terugvordering het direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of hardheid als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid, onderdeel b kan er compensatie worden toegekend.

Het verrekenen van terechte terugvorderingen valt daar niet onder en levert geen compensatie op grond van hardheid op. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Ambtshalve toetsing compensatieberekening

Rentevergoeding gemiste KOT (component o)

In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de berekeningen van de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2011 niet correct zijn. Dit leidt tot de conclusie dat een te hoog bedrag is opgenomen in de compensatieberekening. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing verklaard dat het te veel ontvangen bedrag niet aangepast of teruggevorderd zal worden. De Commissie onderschrijft dit standpunt.

Immateriële schadevergoeding (component n)

In haar schriftelijke beschouwing stelt UHT dat de einddatum voor immateriële schade voor de toeslagjaren 2005 en 2008 tot en met 2011 niet correct zijn. UHT voert aan dat de einddatum verkeerd is vastgesteld. Toepassing van de juiste einddatum leidt aldus UHT niet tot een hoger compensatiebedrag. UHT zal het bedrag derhalve niet aanpassen. De Commissie onderschrijft dit standpunt.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie om aan belanghebbende geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter