BAC 2023-14866
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 7 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 18 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 8 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €114.341,- voor de jaren 2011, 2012 en de maanden januari tot en met augustus 2013. Voor het jaar 2010 en de maanden september tot en met december 2013 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012. UHT heeft het beoordelingsverzoek in overleg met belanghebbende beperkt tot de jaren 2010 tot en met 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- (Catshuisregeling).
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden en dat in de maanden september tot en met december 2013 sprake is van evident geen recht op KOT.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 5 juli 2023 aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van €113.789,-.
- UHT heeft bij het bestreden primaire besluit van 7 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van €114.341,- voor de jaren 2011, 2012 en de maanden januari tot en met augustus 2013. Voor het jaar 2010 en de maanden september tot en met december 2013 is geen compensatie toegekend.
- Belanghebbende heeft bij brief van 11 september 2023, per e-mail bij UHT ingekomen, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 augustus 2024 in de vorm van een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 18 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting uitgenodigd, op 7 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop bij schrijven van 16 juli 2025 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2011, 2012 en de maanden januari tot en met augustus 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden tot de beslissing is gekomen om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoet-koming voor het jaar 2010 en de maanden september tot en met december 2013 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken aanwezig zijn. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende onderliggende stukken zijn op 24 maart 2025 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hiermee in dit geval niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening over toeslagjaren 2011, 2012 en de maanden januari tot en met augustus 2013
Belanghebbende voert aan dat de compensatieberekening onjuist tot stand is gekomen. UHT heeft in de Bijlage compensatieberekening per onderdeel een toelichting gegeven waarom belanghebbende wel of geen recht heeft op compensatie en hoe het compensatiebedrag is berekend.
Met betrekking tot de rente over gemiste KOT (component o) heeft UHT uitgelegd dat de bedragen over toeslagjaren 2011 tot en met 2013 te hoog zijn vastgesteld. In de beslissing op bezwaar zullen deze bedragen echter gehandhaafd blijven, omdat aanpassing hiervan in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
Met betrekking tot de vergoeding voor immateriële schade (component n) stelt UHT zich op het standpunt dat het bedrag ter hoogte van €10.500,- juist is vastgesteld. De eerste neerwaartse handeling is de verlaging van de KOT op
25 februari 2013 (productie 0900000). Het besluit om hiervoor compensatie te bieden is genomen op 7 augustus 2023. Dit maakt dat recht bestaat op 21 halve jaren maal €500,- is €10.500,-.
Dit komt de Commissie juist voor. Met betrekking tot het standpunt van UHT, om de componenten o en n over de toeslagjaren 2011 tot en met 2013 niet aan te passen, constateert de Commissie dat belanghebbende daarmee niet in een in een slechtere positie geraakt of anderszins tekort wordt gedaan. Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard geen bezwaar meer te hebben tegen de compensatieberekening.
Toeslagjaar 2010 – intrekking KOT
Belanghebbende stelt dat zij ook over toeslagjaar 2010 recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen. Haar gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat ten onrechte het kind [naam] is weggelaten in de aanvraag van zowel belanghebbende als haar partner. Hierdoor is dit kind in de maand december 2010 bij geen van beiden in aanmerking genomen.
UHT verwijst naar de RKT melding waaruit blijkt dat belanghebbende de aanvraag KOT van 19 december 2010 heeft ingetrokken (producties 1200005 en 120001). Echter stelt gemachtigde dat het onduidelijk is op welke wijze de aanvraag voor de KOT zou zijn ingetrokken. Gemachtigde is van mening dat daarom sprake is van vooringenomen handelen. In de aanvullende beschouwing heeft UHT uitgelegd dat kind 1, [naam], reeds in de aanvraag KOT van de partner van belanghebbende was opgenomen. Volgens UHT stonden beide kinderen op de aanvraag van belanghebbende, maar is er aan haar geen KOT toegekend. Kind 2, [naam], is ná wijziging van de KOT 2010 betrokken in de toekenning van KOT aan de partner van belanghebbende. UHT concludeert dat, gelet hierop, geen sprake is geweest van vooringenomen handelen, omdat dus voor beide kinderen op naam van de partner van belanghebbende KOT is toegekend.
De gemachtigde heeft ook aangevoerd dat de veronderstelling dat bij belanghebbende in 2010 beide kinderen op de aanvraag stonden, onjuist is. Uit de tijdlijn (notitie van 28 februari 2011 op pagina 21 van het ouderdossier) blijkt dat de aanvraag van belanghebbende alleen betrekking had op kind 2, [naam]. Hoewel daarin wordt vermeld dat kind 1 ook bij de partner moest worden opgevoerd, is dit niet gebeurd, aldus nog steeds gemachtigde.
De Commissie begrijpt het door belanghebbende gestelde zo, dat zij beoogt compensatie te ontvangen wegens het feit dat aan haar geen KOT is toegekend.
De Commissie overweegt dat de hersteloperatie niet voorziet in het alsnog toekennen van KOT die destijds ten onrechte niet werd toegekend. Zij ziet in de aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanknopingspunt voor vooringenomen handelen van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
Toeslagjaar 2013
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde verwezen naar de notitie in de tijdlijn op pagina 25 van het ouderdossier, waarin staat dat een vervolgactie moet worden afgehandeld.
Daarnaast merkt gemachtigde op dat het feit dat een kind naar de basisschool gaat niet betekent dat er geen opvang meer is afgenomen, nu belanghebbende heeft aangegeven dat zij en haar partner beiden werkzaam waren.
Doordat de KOT werd stopgezet en er beslagen werden gelegd, durfde belanghebbende geen KOT meer aan te vragen. Zij heeft daardoor gebruik moeten maken van alternatieve opvang en de opvangkosten zelf bekostigd. Gemachtigde verwijst naar het LIC-overzicht 2013 op pagina 117 van het ouderdossier, waaruit blijkt dat slechts over drie maanden KOT is uitbetaald aan Kinderdagverblijf
[naam KOI]. Hierdoor is belanghebbende in financiële problemen geraakt.
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 9 juli 2025 uitgelegd dat de notitie in de tijdlijn op pagina 25 van het ouderdossier een werkopdracht betreft die wordt aangemaakt nadat de ouder contact heeft opgenomen met de Belastingtelefoon in de situatie dat er nog een en ander moet worden afgehandeld. UHT stelt zich op het standpunt dat het afhandelen, afgaande op de tekst van de notitie, waarschijnlijk ziet op het verzoek van de ouder/gemachtigde om een kopie van de brief BTSL-04 of BTSL-05, maar dat in plaats daarvan een kopie van de beschikking is verstuurd. Gemachtigde heeft te kennen gegeven dat de toelichting niet voldoende duidelijk is. Met betrekking tot de afname van kinderopvang verwijst UHT naar de KOI-viewer 2013 waarin geen gegevens zijn opgenomen (productie 1213008). Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
De Commissie overweegt als volgt.
De Commissie heeft kennisgenomen van de toelichting van UHT en adviseert, mede gelet op de reactie van de gemachtigde, om in de beslissing op bezwaar nadere toelichting te geven over de notitie in de tijdlijn. Ten aanzien van de opvangkosten voor de alternatieve opvang die door belanghebbende zelf zijn bekostigd, overweegt de Commissie dat indien belanghebbende stelt méér schade te hebben geleden als gevolg van het vooringenomen handelen door B/T in de jaren 2011, 2012 en 2013, bijvoorbeeld door het maken van vervangende opvangkosten in toeslagjaar 2013 zij een verzoek voor aanvullende schadevergoeding kan indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
Geen mogelijkheid om zienswijze in te dienen
Belanghebbende stelt dat zij een vooraankondiging heeft ontvangen en dat zij daarin in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. UHT heeft echter 7 dagen vóór het verstrijken van de gestelde termijn voortijdig een definitieve beschikking genomen. Belanghebbende betoogt dat zij daardoor niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze over de vooraankondiging kenbaar te maken.
Hierover overweegt de Commissie dat alhoewel dit niet is zoals het hoort, belanghebbende in deze bezwaarprocedure afdoende de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar standpunten en argumenten toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien.
Deze procedurele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat belanghebbende verder niet heeft aangevoerd welk nadeel zij door dit nalaten heeft geleden, laat de Commissie deze bezwaargrond verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar kan leiden.
FSV, O/GS en discriminatie
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat er geen onderbouwende stukken in het dossier aanwezig zijn over de opname op de FSV-lijst, over de beoordeling van de O/GS-kwalificatie en over het onderwerp discriminatie.
UHT heeft bij de aanvullende beschouwing een FSV-overzicht overgelegd en uitgelegd dat zij geen onderliggende stukken heeft kunnen vinden over de O/GS-beoordeling.
De Commissie overweegt dat hoewel er geen aanwijzingen zijn dat aan belanghebbende een betalingsregeling is geweigerd, zij het wenselijk acht dat UHT de voor de beoordeling of al dan niet sprake is van feiten en omstandigheden die een O/GS kwalificatie kunnen rechtvaardigen, daarop betrekking hebbende relevante stukken bij de beslissing op bezwaar worden overgelegd. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden.
Bij CWS worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor door een belanghebbende ervaren discriminatie.
Proceskostenvergoeding
Uit het vorenstaande volgt dat de Commissie het bezwaar ongegrond acht.
Dit betekent dat er geen aanleiding is voor herroeping van het bestreden besluit. De Commissie stelt vast dat er, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen ruimte is om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter