Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14825

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 1 juni 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 26 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 12 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluiten van 16 maart 2022 en 19 mei 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, in het kader van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 april 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 juli 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 26 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2017 tot en met 2019 af te wijzen.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel/Op de zaak betrekking hebbende stukken Belanghebbende stelt dat zij het dossier waarop het bestreden besluit is gebaseerd niet heeft ontvangen en niet in de gelegenheid is gesteld om – met een dossier – het bestreden besluit te verifiëren. Belanghebbende voert verder aan dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is genomen en niet deugdelijk is onderbouwd en dat er geen belangenafweging heeft plaatsgevonden bij het nemen van het besluit. Belanghebbende stelt dat zij sterk is benadeeld en in zeer ernstige mate heeft geleden, zowel fysiek als mentaal. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de persoonlijke gevolgen die de situatie op belanghebbende heeft gehad, kan zij daarin geen aanknopingspunten vinden voor een aanspraak op compensatie in het kader van de Wht. In het bestreden besluit is per toeslagjaar uitgelegd waarom belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Op grond van artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Alle van belang zijnde producties zijn op 28 oktober 2025 aan gemachtigde toegezonden.

Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en ruim gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat er nog stukken in het dossier ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. De Commissie overweegt dat, voor zover sprake is geweest van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, die gebreken zijn hersteld in de beschouwing van UHT en de daarop voortbouwende beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekening van bedragen

Belanghebbende stelt dat de B/T niet bevoegd was om de terugvordering van de KOT te verrekenen met een uit te betalen belastingbedrag. De Commissie stelt vast dat de B/T op grond van artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bevoegd is om vorderingen te verrekenen met een belastingteruggaaf, ongeacht het berekeningsjaar. Van institutionele vooringenomenheid is geen sprake wanneer de B/T van deze wettelijke bevoegdheid gebruikmaakt. De Commissie adviseert de UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie

Belanghebbende stelt dat zij, anders dan in het bestreden besluit is beslist, wel aanspraak heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. De Commissie bespreekt hieronder deze toeslagjaren.

Toeslagjaren 2017, 2018 en 2019

In de toeslagjaren 2017 tot en met 2019 heeft in elk jaar één verlaging van de KOT plaatsgevonden die verband houdt met een door belanghebbende doorgegeven wijziging van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Verder heeft in deze toeslagjaren geen terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. De Commissie constateert dat geen sprake is van een onterechte O/GS-kwalificatie. Belanghebbende komt daarom evenmin in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. Andere gronden daarvoor zijn ook niet aannemelijk geworden. Gelet op artikel 2.1 lid 1 Wht, ziet deze bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 sprake was van vooringenomen handelen dan wel van hardheid. De bezwaargronden van belanghebbende voor de toeslagjaren 2018 en 2019 kunnen niet tot het gewenste resultaat leiden, nu die betrekking hebben en zien op de definitieve beschikkingen van 6 maart 2020 (toeslagjaar 2018) en van 9 oktober 2020 (toeslagjaar 2019) en daarom buiten de reikwijdte van de Wht vallen. Niet aannemelijk is geworden dat deze verlagingen verband houden met vooringenomen handelen vóór 23 oktober 2019. De Commissie adviseert UHT om de bezwaren op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Opzet/Grove schuld (hierna: O/GS)

Vaststaat dat er voor belanghebbende geen zogenoemde O/GS-kwalificatie is geweest. Belanghebbende voert echter aan dat de situatie waarin zij verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht (recht op O/GS-tegemoetkoming) ziet. Ze heeft namelijk tevergeefs telefonisch bij de B/T om een betalingsregeling gevraagd. Wel heeft zij voor het toeslagjaar 2018 maandelijks €54 terugbetaald. Daarna heeft de B/T, zonder daarover een afspraak met haar te maken, het restant van de terugvordering verrekend met de door haar te ontvangen inkomstenbelasting. Hierdoor is belanghebbende dieper in de schulden terechtgekomen.

De Commissie overweegt het volgende. Dat de O/GS-kwalificatie ontbreekt, mag niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Hoewel de Commissie begrip heeft voor de situatie van belanghebbende, adviseert zij in dit geval geen tegemoetkoming op grond van artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen. Ten aanzien van een mogelijke toepassing van artikel 9.1 van de Wht is de Commissie namelijk van mening dat de verrekening van terug te vorderen KOT met een teruggave van inkomstenbelasting, niet uitzonderlijk genoeg is om belanghebbende via de hardheidsclausule in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming op grond van een O/GS-kwalificatie. De Commissie adviseert UHT om de bezwaren ook op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Geen proceskostenvergoeding

Omdat de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter