BAC 2023-13600
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 22 mei 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 3 februari 2026
Overdracht advies aan UHT: 12 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 mei 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2007 tot en met 2018 is gebleken van fouten met betrekking tot de toeslagjaren 2012 en januari tot en met september 2018 en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 23.266. Dit is met toepassing van de Catshuisregeling aangevuld tot € 30.000.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2012. Nadien is dit verzoek uitgebreid met de jaren 2007 tot en met 2011 en de jaren 2013 tot en met 2018.
- Bij brief van 11 maart 2021 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 8 mei 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en 2014 geen herstelregeling van toepassing is.
- Bij brief van 22 mei 2023 is het bestreden besluit genomen.
- Bij brief van 28 juni 2023 heeft gemachtigde tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Op 7 juli 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 2 februari 2026 heeft gemachtigde aanvullende stukken ingediend.
- Op 3 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Schending motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover sprake is van gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Verzoek om persoonlijk dossier
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen.
Ontbrekende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie overweegt als volgt. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Artikel 6 EVRM ‘equality of arms’
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reacties, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Uit de stellingname van gemachtigde volgt niet dat in het beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende in zijn procesbelang is geschaad. Nog los van de vraag of dat beginsel als zodanig van toepassing is in de bezwaarfase, volgt de Commissie gemachtigde daarom niet in de stelling dat het beginsel van ‘equality of arms’ zoals genoemd in artikel 6 EVRM, geschonden zou zijn. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Herbeoordeelde toeslagjaren
De KOT voor 2008, 2009, 2010, 2013, 2015, 2016 en 2017 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van een gewijzigd toetsingsinkomen, minder afgenomen opvanguren, door belanghebbende doorgegeven stopzettingen en aangeleverde opvanggegevens, aantal gewerkte uren van de toeslagpartner en informatie van DUO. De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.
Belanghebbende voert aan dat zij gecompenseerd zou moeten worden op grond van hardheid, omdat er in de periode maart tot en met juni 2011 geen KOT is uitbetaald. Belanghebbende heeft niet expliciet gesteld c.q. aannemelijk gemaakt dat zij in deze periode gehouden was om het bedrag dat aan KOT zou moeten uitbetaald zelf te voldoen of dat het op andere wijze tot problemen heeft geleid bij belanghebbende. Op 15 juli 2011 is een fors bedrag aan KOT van € 9.830 (met terugwerkende kracht) uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en is de situatie hersteld. Nu belanghebbende niet concreet heeft gesteld c.q. aannemelijk heeft gemaakt dat zij gehouden was om in de periode maart tot en met juni 2011 de KOT voor te schieten, is het naar het oordeel van de Commissie onaannemelijk dat de problemen met de uitbetaling van de KOT hebben geleid tot financiële problemen bij belanghebbende.
Dat in de bezwaarprocedure is gebleken dat er ook in april en mei 2013 opvang is afgenomen en niet alleen in de periode van september tot en met december 2013 maakt niet dat daarom sprake is van vooringenomen handelen. Immers, belanghebbende is op 16 augustus 2014 en 2 september 2014 gevraagd om informatie toe te sturen om haar recht op KOT voor 2013 vast te stellen. Er is toen alleen een jaaropgaaf van [naam kinderopvang] overgelegd. De jaaropgaven van [naam kinderopvang] en [naam kinderopvang] zijn toen niet ter beschikking gesteld aan Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T voldoende uitgevraagd, ondanks dat uit de KOI-viewer was af te leiden dat er ook in januari 2013 opvang was afgenomen. Uiteindelijk ligt het op de weg van belanghebbende om de gevraagde stukken over te leggen op basis waarvan haar definitieve recht op KOT kan worden vastgesteld.
Met betrekking tot de toeslagjaren 2007 en 2014 hebben er geen neerwaartse bijstellingen plaatsgevonden. Compensatie is in dat geval, in beginsel, niet aan de orde. Belanghebbende betwist de KOT op 31 juli 2013 te hebben stopgezet. Deze stopzetting heeft ertoe geleid dat de KOT voor toeslagjaar 2014 niet automatisch is gecontinueerd. Weliswaar is er geen xml-bestand overgelegd van de tweede stopzetting van 31 juli 2013 waardoor er geen automatische continuering van de KOT heeft plaatsgevonden voor toeslagjaar 2014, maar in het informatie- en beoordelingsformulier wordt wel melding gemaakt van deze (telefonische) stopzetting. Bij een dergelijke telefonische wijziging moet het BSN-nummer worden gemeld, waardoor de Commissie onvoldoende reden heeft om te twijfelen dat deze stopzetting door of namens belanghebbende is gedaan.
Daar komt bij dat onweersproken is gesteld dat de definitief vastgestelde KOT overeenkomt met het aantal afgenomen opvanguren. De Commissie is aldus van oordeel dat B/T niet gehouden was om de KOT in toeslagjaar 2014 automatisch te continueren. Het feit dat een gedeelte van de KOT voor toeslagjaar 2014, na de aanvraag in augustus 2014, in september 2014 (met terugwerkende kracht) is uitbetaald, is niet te wijten aan de handelwijze van B/T. De Commissie adviseert wel om na te gaan of van deze stopzetting een bestand of een stuk te vinden is, en indien beschikbaar, bij te voegen bij de beslissing op bezwaar.
Met betrekking tot toeslagjaar 2018 heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat bij nader inzien geen recht bestaat op compensatie, maar dat dit niet zal worden gecorrigeerd. De Commissie acht dit een juist standpunt en kan zich hierin derhalve vinden.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.
Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan uitkomen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigde vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
Compensatieberekening
Componenten ‘o’ in de compensatieberekening zijn onjuist vastgesteld. Echter, de gehanteerde bedragen zijn in het voordeel van belanghebbende. Daarom adviseert de Commissie de toegekende bedragen niet aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bestreden besluit niet te herroepen;
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter