BAC 2023-11386
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 10 januari 2023 (UHT-DCHA), alsmede de in de aanvullende schriftelijke beschouwing van UHT van 23 januari 2026 besloten liggende beschikking ten aanzien van de toeslagjaren 2005 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2019
Hoorzitting: 9 januari 2026 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 10 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA, zoals dit is uitgebreid met de beschikking van 23 januari 2026, in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 10 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2015.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op het toeslagjaar 2015.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 10 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 12 januari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 mei 2024 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 14 augustus 2024 schriftelijk gereageerd en heeft daarbij, naar aanleiding van het aanvullend bezwaar, tevens een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 9 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 januari 2026 een nadere schriftelijke beschouwing met bijbehorende stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar op 5 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
UHT heeft op verzoek van belanghebbende de herbeoordeling van de KOT ambtshalve uitgebreid met de toeslagjaren 2005 tot en met 2014 en 2016 tot en met 2019, en de uitkomst daarvan kenbaar gemaakt in de aanvullende beschouwing van 23 januari 2026.
De Commissie is van opvatting dat in deze beschouwing een beslissing ten aanzien van voormelde toeslagjaren ligt besloten die het karakter heeft van een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Gelet op artikel 6:19 van de Awb, waarin is bepaald dat een bezwaar van rechtswege mede betrekking heeft op een beschikking die de bestreden beschikking wijzigt, intrekt of vervangt, wordt het bezwaar geacht zich ook uit te strekken tot de desbetreffende beschikking die besloten ligt in voormelde aanvullende beschouwing. Gelet op het voorgaande merkt de Commissie deze beschikking aan als onderdeel van het geschil.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikkingen
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 14 oktober 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt, behoudens het hierna overwogene, dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Uit het procesverloop blijkt dat UHT, naar aanleiding van het verzoek om de toeslagjaren 2014 en 2019 te beoordelen, op 23 januari 2026 een aanvullende schriftelijke beschouwing, met bijbehorende producties, heeft overgelegd die – hoewel zij betrekking hadden op de zaak – niet ter inzage waren gelegd. In zoverre is sprake van een schending van artikel 7:4, lid 2, van de Awb. Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen en daarvan gebruikgemaakt om haar standpunt tijdens het na de hoorzitting voorgezette schriftelijke debat nader toe te lichten. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende door deze gang van zaken niet in haar processuele belangen is geschaad. Het namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaar kan derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.
Beoordeling toeslagjaren 2005 tot en met 2019
De Commissie ziet zich, gelet op de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikkingen, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2005 tot en met 2019, af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2014
De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat voor het toeslagjaar 2014 geen (neerwaartse) bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2015
Belanghebbende betoogt dat zij aanspraak maakt op compensatie, omdat B/T heeft nagelaten een uitvraag bij haar te doen voordat de KOT werd verlaagd op basis van opvanggegevens uit de zogenoemde kinderopvanginstelling-viewer (hierna: KOI-viewer).
De Commissie is van opvatting dat een verlaging van de KOT op basis van de KOI-viewer niet als vooringenomen kan worden aangemerkt, tenzij B/T gelet op de beschikbare info in redelijkheid had moeten twijfelen aan de juistheid van de opvanggegevens uit de KOI-viewer. In het voorliggende geval acht de Commissie daarvan geen sprake. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. Het bezwaar is in zoverre ongegrond.
Voor zover in het bezwaar van belanghebbende besloten ligt dat onjuiste opvanggegevens zijn verwerkt in de KOI-viewer, merkt de Commissie op dat dergelijke, eventuele omissies uitsluitend via een herzieningsverzoek kunnen worden gecorrigeerd. De Wht voorziet enkel in compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), en biedt geen ruimte voor correctie van een onjuiste vaststelling van de KOT. UHT heeft daartoe dan ook geen bevoegdheid. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2019
De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat belanghebbende op 26 januari 2020 KOT heeft aangevraagd voor het toeslagjaar 2019, met ingang van 15 december 2019. Naar aanleiding van de aanvraag is op 13 maart 2020 een voorschotbeschikking afgegeven. Nu deze voorschotbeschikking uitsluitend betrekking heeft op een periode gelegen na 23 oktober 2019, en niet aannemelijk is geworden dat deze beschikking het gevolg is van besluiten of handelingen die vóór die datum zijn genomen, is de Commissie van opvatting dat een inhoudelijke beoordeling van het toeslagjaar 2019 buiten de reikwijdte van de Wht valt. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2005 tot en met 2013 en 2016 tot en met 2018
De Commissie stelt vast dat belanghebbende in de toeslagjaren 2005 tot en met 2013 en 2016 tot en met 2018 geen KOT heeft aangevraagd. Op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht kan compensatie uitsluitend worden toegekend aan de aanvrager van KOT.
Nu belanghebbende voor deze toeslagjaren niet als aanvrager van KOT kan worden aangemerkt, komt zij voor deze jaren niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De namens belanghebbende aangevoerde nadere reactie geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
O/GS-kwalificatie toeslagjaar 2015
Belanghebbende wenst een nadere toelichting op de constatering van UHT dat geen sprake was van de weigering om een betalingsregeling te treffen als gevolg van een onterechte O/GS-kwalificatie voor het toeslagjaar 2015.
De Commissie acht het ontoereikend dat UHT volstaat met een verwijzing naar pagina 97 van de onderliggende stukken, waarin enkel wordt vermeld dat er geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Een toelichting op de wijze waarop tot deze conclusie is gekomen ontbreekt, zodat een nadere uitleg wenselijk en noodzakelijk is. Indien hierover intern aanvullende informatie beschikbaar is, acht de Commissie het begrijpelijk dat belanghebbende inzicht wenst in die gegevens. Overigens merkt de Commissie op dat blijkens pagina 103 van het bezwaardossier het er alle schijn van heeft dat er ten behoeve van belanghebbende door B/T wel een betalingsregeling is getroffen, te weten € 20 per maand ingaande 14 september 2015 en dat er blijkens het zogenoemde LIC-overzicht (pagina 101 van het bezwaardossier) ook betalingen door belanghebbende, op grond van deze betalingsregeling, hebben plaatsgevonden. Verwezen zij naar betalingen op 6 oktober 2015, 22 oktober 2015, 4 januari 2016 en 14 april 2016. Nadien zijn er ten behoeve van belanghebbende nog meerdere betalingsregelingen getroffen (pagina 103 bezwaardossier). Op pagina 103 van het bezwaardossier wordt door UHT expliciet gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat er ten aanzien van belanghebbende een betalingsregeling is geweigerd aangaande de terugbetaling van toeslagen. Als dit inderdaad het geval is, ontbeert een eventuele O/GS kwalificatie naar het de Commissie voorkomt relevantie.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om in de beslissing op bezwaar een duidelijke en begrijpelijke toelichting op te nemen over de wijze waarop de afwezigheid van een O/GS-kwalificatie is vastgesteld en of en in hoeverre er daadwerkelijk sprake is geweest van een weigering door B/T om voor de terug te betalen KOT 2015 een betalingsregeling te treffen.
Oudergesprek en onjuistheden informatie- en beoordelingsformulier
Belanghebbende wijst erop dat het oudergesprek ten onrechte heeft plaatsgevonden met de persoonlijk zaakbehandelaar, zonder dat haar gemachtigde daarbij aanwezig was.
Daarnaast voert zij aan dat in het informatie- en beoordelingsformulier onjuiste persoonsgegevens zijn opgenomen, nu haar neefjes daarin ten onrechte als haar kinderen waren aangemerkt.
De Commissie stelt voorop dat zowel het voeren van een oudergesprek zonder aanwezigheid van de gemachtigde, als het opnemen van onjuiste persoonsgegevens in het informatie- en beoordelingsformulier, als slordig en onzorgvuldig moeten worden aangemerkt en derhalve hadden moeten worden vermeden. De Commissie heeft evenwel niet kunnen vaststellen dat deze handelwijze en onjuistheden van dien aard zijn dat daarmee sprake is geweest van vooringenomenheid dan wel hardheid jegens belanghebbende. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting door UHT gemaakte excuses, alsmede van de toezegging dat deze gang van zaken intern zal worden besproken. Het bezwaar kan op dit punt niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikkingen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn genomen.
Met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van het LIC-overzicht - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikkingen leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 10 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA, zoals dit is uitgebreid met de beschikking van 23 januari 2026, ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen in stand te laten;
- geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter