BAC 2025-15883
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO
Hoorzitting: 14 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 29 juli 2024 met het kenmerk UHT-DCHO (hierna: bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 119.803,- voor de jaren 2008, 2009 (april tot en met december), 2010, 2012, 2013, 2014 en 2015 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 (januari tot en met maart), 2011 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2014. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2015 en 2016 ook meegenomen in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 29 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende compensatie toegekend van € 119.803 voor de jaren 2009 (april tot en met december), 2010, 2012, 2013, 2014 en 2015 op grond van vooringenomenheid en voor het jaar 2008 is compensatie toegekend op grond van hardheid. Voor de jaren 2011, 2016 en januari tot en met maart 2009 is geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 september 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 14 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 14 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn nu zij alles uit haar eigen herinneringen moet halen. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft op 13 februari 2025 het ouderdossier toegezonden aan belanghebbende. Daarnaast zijn de beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Naar aanleiding van de hoorzitting stelt de Commissie vast dat het jaar 2016 (januari tot en met juni) niet meer in geschil is en dat UHT heeft toegezegd om voor deze periode compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid.
Gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartoe aangevoerde bezwaren, ziet de Commissie zich voor de vraag gesteld of UHT terecht heeft besloten de compensatie voor de jaren 2009 (januari tot en met maart) en 2011 af te wijzen. Ook moet de Commissie de vraag beantwoorden of UHT de compensatieberekening over de jaren 2008, 2009 (april tot en met december), 2010, 2012 tot en met 2015 juist heeft berekend.
Met betrekking tot de eerste vraag (2009 en 2011) overweegt de Commissie als volgt.
Toeslagjaar 2009 (januari tot en met maart)
Belanghebbende voert aan dat in toeslagjaar 2009, in de maanden januari tot en met maart, jegens haar vooringenomen is gehandeld. Zij stelt dat haar moeder heeft verklaard dat zij in deze maanden gastouder is geweest voor de kinderen van belanghebbende. Belanghebbende heeft in deze periode gebruik gemaakt van gastouderbureau [naam]. Dit gastouderbureau heeft echter fraude gepleegd en daardoor beschikt belanghebbende niet over de juiste papieren. Zij verkeert in bewijsnood.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht op aanvraag compensatie kan toekennen als aan de voorwaarden in dat lid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1 lid 2 Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
In het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT staat in dit kader ook vermeld:
“Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.”
De Commissie meent dat UHT niet heeft voldaan aan de op haar rustende bewijslast. De enkele stelling dat er geen stukken zijn waaruit blijkt dat van januari tot en met maart gekwalificeerde opvang is afgenomen, is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom evident geen recht op KOT bestond. De Commissie hecht in dit verband ook waarde aan het feit dat UHT tijdens de hoorzitting heeft erkend dat het gastouderbureau [naam] bekend staat om frauduleuze praktijken en het daarom aannemelijk acht dat er geen facturen of jaaropgaven meer zijn. Verder heeft belanghebbende verklaard dat haar derde kind geboren is in januari 2009 en dat haar moeder als gastouder haar andere twee kinderen opving. De Commissie is daarom van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen tijdens de hoorzitting is aangevoerd, er niet in geslaagd is om te bewijzen dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid”, als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1, van de Wht, toepasselijk is. Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen voor de periode januari tot en met maart van toeslagjaar 2009 op grond van vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
Toeslagjaar 2011
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over dit jaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot de tweede vraag (2008, 2009 (april tot en met december), 2010, 2012 tot en met 2015) overweegt de Commissie als volgt
Het staat tussen partijen vast dat B/T in de periode van 2009 (april tot en met december), 2010, 2012 tot en met 2015 vooringenomen heeft gehandeld. Voor toeslagjaar 2008 heeft UHT hardheid aangenomen. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht € 119.803 aan belanghebbende toegekend. UHT heeft, blijkens het gestelde in de schriftelijke beschouwing, zelf geconstateerd dat de berekeningen van de compensatie over die jaren in de bestreden beschikking onjuist zijn geweest voor wat betreft de vergoeding van juridische hulp (component m). Zij heeft daarbij, onder verwijzing naar de bij die beschouwing behorende bijlage, uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
Slot
Gelet op het vorenstaande heeft de Commissie de hiervoor geformuleerde vragen (deels) ontkennend beantwoord. Zij zal UHT daarom adviseren het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren. Daarmee staat tevens vast dat de totstandkoming van de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering onvoldoende deugdelijk. Deze gebreken zullen bij de beslissing op bezwaar worden hersteld.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gegrond is en het advies van de Commissie ertoe strekt om de bestreden beschikking te herroepen, adviseert de Commissie UHT tevens de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De Commissie adviseert om hierbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor 2.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 29 juli 2024 met kenmerk UHT-DCHO gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de periode januari tot en met maart 2009 en de beschikking in zoverre te herroepen;
- de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in zoverre in stand te laten;
- een vergoeding van de proceskosten toe te kennen zoals hiervoor omschreven.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter