Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14274

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 augustus 2023 (UHT-DCHA, verder onder meer aan te duiden als ”het bestreden besluit”)

Hoorzitting: 16 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 9 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008, 2009, 2010, 2014 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 29 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2017. In overleg met belanghebbende is dit verzoek beperkt tot de jaren 2008 tot en met 2010, 2014 en 2015.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is gedurende de betrokken jaren.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2010, 2014 en 2015.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 26 september 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 1 november 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 24 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 16 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de uiteindelijk gehandhaafde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2008 tot en met 2010, 2014 en 2015 af te wijzen.

Beoordeling toeslagjaren 2008 en 2009

Met betrekking tot de toeslagjaren 2008 en 2009 stelt de Commissie vast, en dit is ook niet in geschil, dat de neerwaartse bijstellingen van de KOT van 7 april 2010 (KOT 2008) en 22 juli 2009 (KOT 2009) verband hielden met een vastgesteld hoger gezamenlijk toetsingsinkomen.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2009 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering van de KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen in het gezamenlijke toetsingsinkomen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS-kwalificatie), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaren 2010, 2014 en 2015

Niet in geschil is dat de KOT voor 2010 automatisch is gecontinueerd en dat belanghebbende de KOT met ingang van 1 januari 2010 heeft stopgezet, waarna de KOT op nihil is gesteld. Met betrekking tot het jaar 2014 staat vast dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd met ingang van 16 september 2014 en dat blijkens de gegevens van de KOI-viewer slechts voor twee weken opvang is afgenomen. Voorts is niet in geschil dat KOT voor 2015 automatisch is gecontinueerd en bij beschikking van 31 december 2017 op nihil is gesteld omdat belanghebbende de KOT voor 2015 heeft stopgezet met ingang van 1 januari 2015.

Belanghebbende betoogt dat het stopzetten van de KOT in 2010 en 2015 was ingegeven door zijn angst voor terugvorderingen en het oplopen van schulden bij de belastingdienst. Bovendien stelt belanghebbende dat hij KOT voor de jaren 2010 en 2015 heeft stopgezet op advies van een medewerker van B/T. Hij betoogt dat hij hierdoor financiële en immateriële schade heeft geleden omdat hij werkte en opvang op een andere manier moest regelen en dat hij op grond hiervan voor compensatie in aanmerking komt. UHT stelt zich op het standpunt dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat B/T heeft geadviseerd om de KOT stop te zetten en dat niet is gebleken dat B/T tegenover belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van de toepassing van het wettelijk systeem door B/T, of indien sprake is van een onterechte OGS-kwalificatie.

Volgens de vaste uitvoeringspraktijk van UHT, neergelegd in paragraaf 2.2.1.3. van het Handboek IB- en Vaktechniek (hierna: het handboek) wordt in beginsel géén vooringenomenheid aangenomen in het geval ouder zelf de KOT heeft stopgezet. De Commissie acht dat niet onjuist. In enkele gevallen neemt UHT hierop een uitzondering aan. Dit is neergelegd in paragraaf 3.2.3 van het handboek, waarin het volgende is bepaald.

3.2.3 KOT gestopt door de ouder zelf als gevolg van vooringenomen handeling

Als de ouder zelf de KOT heeft gestopt als gevolg van een vooringenomen handeling in het jaar of voorgaande jaar, dan is voor de periode vanaf de stopzetting geen sprake van enige tegemoetkoming. De ouder moet daarvoor bij de CWS zijn. Enige uitzondering hierop kan zijn als er sprake is van vooringenomenheid, kwalificerende opvang en BD/T hier gegevens van heeft (zie lijn 3.1.5 “causaal verband vooringenomenheid”).

De Commissie is van opvatting dat in dit geval niet is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de in dit beleid opgenomen uitzondering. Zo is, gelet op hetgeen de Commissie hiervoor met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 heeft overwogen, geen sprake van vooringenomen handelen door B/T in de jaren voorafgaande aan de jaren waarin belanghebbende de KOT heeft stopgezet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Commissie op dat de terugvorderingen waardoor belanghebbende stelt in de problemen te zijn geraakt, betrekking hadden op de door hem aangevraagde huurtoeslag en niet zijn te herleiden tot onregelmatigheden met betrekking tot de KOT. Voor de stelling van belanghebbende dat een medewerker van B/T hem zou hebben geadviseerd om de KOT stop te zetten om schulden te voorkomen, kan de Commissie in de stukken geen aanknopingspunten vinden. Ook is van belang dat er, met uitzondering van de vastgestelde twee weken kinderopvang in 2014, geen gegevens beschikbaar zijn die aantonen dat belanghebbende in de betrokken jaren gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. Verder is de Commissie niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan UHT in dit geval in weerwil van de vaste uitvoeringspraktijk toch compensatie zou moeten toekennen. De door belanghebbende gestelde angst voor terugvorderingen en schulden door de problemen met de huurtoeslag vindt de Commissie niet onbegrijpelijk. Maar dit kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat B/T bij de vaststelling van het recht op KOT tegenover belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. Gelet hierop heeft UHT zich naar het oordeel van de Commissie terecht op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op compensatie. De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Beroep op het vertrouwensbeginsel en artikel 6 EVRM

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking in strijd is met het vertrouwensbeginsel en het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM), omdat UHT niet transparant, eerlijk en open zou zijn geweest. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om de opvattingen van belanghebbende op dit punt te delen en adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar eveneens ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn en het bestreden besluit in stand kan blijven, bestaat er geen recht op vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en geen vergoeding toe te kennen voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter