BAC 2023-14508
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 5 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 13 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 26 juni 2023 (UHT-DCHA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2015. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit beperkt tot de jaren 2011 tot en met 2014.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 april 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2014.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 september 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 11 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 5 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Vooraankondiging en zienswijze
Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet overeenkomstig de voorgeschreven gang van zaken is, belanghebbende in deze bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat belanghebbende verder niet heeft aangevoerd welk nadeel zij door dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit onderdeel van het bezwaar verder buiten beschouwing.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel zijn geschonden. Zonder volledig dossier is het voor haar niet inzichtelijk hoe UHT de toegekende compensatie heeft berekend.
UHT heeft het dossier en een schriftelijke reactie aan belanghebbende verstrekt. Belanghebbende heeft gelegenheid gehad om de ontvangen gegevens te beoordelen en de gronden van haar bezwaar zo nodig verder aan te vullen. Op de hoorzitting heeft belanghebbende bij monde van haar gemachtigde bovendien de mogelijkheid gehad om nader te reageren op de ontvangen gegevens en hierop een toelichting te vragen.
De Commissie is van oordeel dat UHT het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht. Door het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het “Landelijk Incasso Centrum” en de overige producties is het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Bij de hoorzitting zijn verder geen concrete aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het door UHT overgelegde dossier incompleet is of aangevuld zou moeten worden.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond
Uit de stukken in het dossier volgt dat de verlagingen van de KOT voor de beoordeelde toeslagjaren zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen die erop wijzen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
In toeslagjaar 2011 is de KOT verlaagd vanwege een hoger vastgesteld toetsingsinkomen en een lager aantal afgenomen opvanguren dan initieel opgegeven. Het voorschot is destijds toegekend voor 90 uur kinderopvang per maand en uiteindelijk bleek 76 uur per maand daadwerkelijk te zijn afgenomen.
Voor de toeslagjaren 2012 en 2013 geldt hetzelfde. Het definitief vastgestelde toetsingsinkomen bleek ieder jaar hoger dan het inkomen dat de basis vormde voor de voorschotbeschikking en het uiteindelijke aantal afgenomen opvanguren per maand bleek lager dan vooraf opgegeven. Het voorschot voor zowel toeslagjaar 2012 als 2013 is destijds toegekend voor 90 uur kinderopvang per maand en uiteindelijk bleek 60 uur per maand daadwerkelijk te zijn afgenomen.
De B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2014 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
KOT naar kinderopvanginstelling
Volgens gemachtigde is in toeslagjaar 2012 sprake van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl vervolgens een bedrag van meer dan € 1.500,- van belanghebbende is teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.
Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor het toeslagjaar 2012 op de zitting nader toegelicht. Voor dit toeslagjaar is aannemelijk geworden dat het gehele bedrag dat te veel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling, aan belanghebbende ten goede is gekomen. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.
De Commissie heeft in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. De Commissie ziet ook geen reden om te oordelen dat de B/T in dit geval had moeten twijfelen aan de juistheid van de opgaven van de kinderopvanginstelling. Het door belanghebbende op dit punt geformuleerde bezwaar treft dan ook geen doel.
Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter