Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16089

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 november 2023 (UHT-DCHA)

Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 17 november 2023 (UHT-DCHA). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 2 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 31 augustus 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2010.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 8 december 2023, ingekomen op 19 december 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 21 oktober 2025 heeft belanghebbende schriftelijk bevestigd geen behoefte te hebben aan een hoorzitting. Op 22 oktober 2025 heeft belanghebbende bevestigd dat hij een advies wenst op basis van de stukken in het dossier.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Niet beoordeelde toeslagjaren

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT ten onrechte niet alle toeslagjaren heeft beoordeeld waar hij in zijn oorspronkelijke verzoek tot herbeoordeling om heeft gevraagd. Het onderzoek zou eventueel uitgebreid dienen te worden met toeslagjaren waarin zijn toeslagpartner wellicht KOT heeft ontvangen, aldus belanghebbende.

Aansluitend bij de jurisprudentie van de rechtbank Rotterdam (zie bijv. Rb. Rotterdam 17 dec 2024, ECLI:NL:RBOT:2024:13134) ziet een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 Wht op alle jaren voor oktober 2019 waarin een belanghebbende kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Uit bestudering van de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor zijn jongste kind op 17 augustus 2009 met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009. Er zijn geen eerdere KOT-aanvragen bekend. Op 4 december 2009 heeft belanghebbende de KOT per 1 januari 2010 stopgezet. Het herbeoordelingsonderzoek is hierdoor beperkt tot de toeslagjaren 2009 en 2010.

Uitbreiding van het onderzoek met toeslagjaren waarin de toeslagpartner van belanghebbende wellicht KOT heeft ontvangen, is op basis van de Wht niet mogelijk. De toeslagpartner had daartoe zelf een verzoek tot herbeoordeling moeten indienen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Mogelijkheden juridische bijstand

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat hij (en zijn toeslagpartner) destijds ten onrechte door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) niet zijn gewezen op de mogelijkheden van professionele juridische bijstand.

De Commissie begrijpt dat het voor belanghebbende belangrijk was om ondersteund te worden in een voor hem ingrijpende procedure. De Wht is echter alleen bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie met betrekking tot aangevraagde KOT. Een beoordeling van de vraag of belanghebbende al dan niet is gewezen op de mogelijkheden van (kosteloze) juridische bijstand en of dit überhaupt had moeten gebeuren, valt buiten de reikwijdte van de Wht en daarmee buiten de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

In het kader van de hersteloperatie is een bijzondere regeling in het leven geroepen die aan belanghebbenden kosteloze professionele juridische bijstand aanbiedt, de subsidieregeling pakket rechtsbijstand herstelregelingen kinderopvangtoeslag (hierna: Subsidieregeling). De Subsidieregeling is beschikbaar voor alle gedupeerde ouders en er gelden geen inkomens- en vermogenseisen, noch wordt een eigen bijdrage opgelegd. In de brieven en beschikkingen die belanghebbende van UHT heeft ontvangen, is expliciet gewezen op deze mogelijkheid van gratis juridische bijstand.

Afwijzing compensatie

Uit de stukken in het dossier volgt dat de neerwaartse correcties van de KOT voor de beoordeelde toeslagjaren zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

Uit de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wet Kinderopvang (hierna: Wko) volgt dat een ouder alleen aanspraak kan maken op KOT tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs begint voor het betreffende kind. Het jongste kind van belanghebbende werd 12 jaar oud in mei 2009. In september 2009 is dit kind begonnen aan het voortgezet onderwijs. Dit betekent dat iedere aanspraak van belanghebbende op KOT krachtens artikel 1.5 Wko per 1 september 2009 is komen te vervallen.

De B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken. Ook op de gegevens van bijvoorbeeld de gemeente of de Dienst Uitvoering Onderwijs mag worden vertrouwd.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2010 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering over toeslagjaar 2009 en was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Dit is conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter