BAC 2025-16079
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 26 oktober 2023 (UHT-DCHA, UHT-O OGS B)
Overdracht advies aan UHT: 6 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikkingen in stand te laten.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2014.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling en dat de Integrale beoordeling in gang wordt gezet.
- UHT heeft bij bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2014.
- UHT heeft bij bestreden beschikking met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming opzet/grove schuld (O/GS) voor een bedrag van € 1.812 voor het toeslagjaar 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2023, ingekomen op 10 november 2023, tegen de bestreden beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 16 januari 2026 namens belanghebbende aangegeven dat geen behoefte bestaat om het bezwaar tijdens een hoorzitting nader toe te lichten en heeft de Commissie verzocht het advies in deze zaak op basis van stukken te beoordelen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie af te wijzen. Tevens ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden de hoogte van de tegemoetkoming voor O/GS heeft berekend.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
De Commissie heeft geconstateerd dat in het dossier geen advies van de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) aanwezig is. De Commissie stelt voorop dat CvW een adviseur is in de zin van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Hoewel de feitelijke omstandigheden maken dat UHT mogelijk in strijd met voornoemd artikel en het zorgvuldigheidsbeginsel geen advies aan CvW heeft gevraagd, heeft UHT in dit geval - door middel van de ter beschikkingstelling van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken en het indienen van een uitgebreide schriftelijke reactie - het bestreden besluit voldoende onderbouwd. Daardoor is het aannemelijk dat belanghebbende in dit geval niet is benadeeld. De Commissie adviseert UHT daarom, gelet op artikel 6:22 Awb, dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn op 29 september 2025 aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2011 tot en met 2013
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor deze toeslagjaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties in KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren en veranderingen in het toetsingsinkomen. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2014. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor deze toeslagjaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties in KOT over deze toeslagjaren waren gelegen in door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren, een stopzetting door belanghebbende zelf, een DUO melding waaruit bleek dat het kind van belanghebbende naar de basisschool ging en informatie uit de KOI-viewer.
Ten aanzien van de stopzetting door belanghebbende is in het dossier een TVS-melding aanwezig (zie pagina 409). Belanghebbende heeft niet betwist dat zij de KOT zelf heeft stopgezet.
Voor wat betreft de wijzigingen naar aanleiding van de KOI-viewer is de Commissie van oordeel dat – bij gebrek aan in andere richting wijzende gegevens - B/T niet hoefde te twijfelen aan in de KOI-viewer opgenomen gegevens.
De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende aanspraak heeft op een tegemoetkoming voor O/GS ter hoogte van € 1.812 over het toeslagjaar 2014.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kosten voor rechtsbijstand
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter