Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15851

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 november 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 10 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 14 november 2024 (UHT-DCHOA).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 3 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2011. Op 2 november 2021 heeft belanghebbende tevens verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2012 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij besluit van 28 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 november 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 november 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 1 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 4 december 2025 op verzoek van de Commissie aanvullende stukken toegezonden.
  • Op 10 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2014 af te wijzen.

Procedurele bezwaren

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking in strijd is genomen met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De uitgevoerde Maatwerk Integrale Beoordeling (hierna: MIB-beoordeling) is volgens belanghebbende in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand gekomen. UHT stelt daarentegen dat de bestreden beschikking op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat, mede aan de hand van de beschouwingen en verwijzingen naar diverse op de zaak betrekking hebbende stukken, geen strijd bestaat met het motiveringsbeginsel.

Commissie kan UHT volgen in haar standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het onderliggende onderzoek. Door middel van de beschouwing en de bijbehorende producties, in aanvulling op het dossier, is de bestreden beschikking voldoende onderbouwd en zorgvuldig tot stand gekomen. Weliswaar betreurt de Commissie dat niet alle documenten - waaronder een uitvraagbrief met betrekking tot in te sturen stukken over 2010 en 2011 - in de systemen van Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) te achterhalen zijn, maar dit staat niet in de weg aan een zorgvuldige beoordeling van de bestreden beschikking. De op de zaak betrekking hebbende stukken bieden voldoende basis voor een volledige en juiste beoordeling van de onderliggende kwestie.

De Commissie kan zich niet vinden in de algemene stelling van belanghebbende dat een MIB-beoordeling ten opzichte van de Reguliere Integrale Beoordeling per definitie leidt tot een onzorgvuldige beoordeling. Belanghebbende had haar stelling met concrete bezwaargronden die op deze zaak betrekking hebben aannemelijk moeten maken. De bewering dat bij een MIB-beoordeling geen persoonlijke zaakbehandelaar is betrokken en dat in het informatie- en beoordelingsformulier geen tijdlijn meer is opgenomen, maakt de beoordeling niet onzorgvuldig. De Commissie stelt vast dat het dossier een ingevuld informatie- en beoordelingsformulier bevat (productie 0200001, blz 19), waarin informatie is opgenomen van contacten met belanghebbende, feitenoverzichten per toeslagjaar zijn opgenomen en toegelichte beoordelingen, waaruit de grondslag van de standpunten van UHT afdoende blijkt. Ook de stelling van belanghebbende dat een MIB-beoordeling standaard leidt tot een afwijzing van compensatie, kan zonder nadere onderbouwing niet slagen. De constatering van belanghebbende dat de in het dossier opgenomen informatie over toeslagjaar 2011 tegenstrijdigheden bevat is hiervoor onvoldoende. De bezwaargronden treffen dan ook geen doel.

Inhoudelijke bezwaren: afwijzing compensatie

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie over de jaren 2008 tot en met 2014.

Algemeen

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.

Uit het bezwaardossier volgt dat over de toeslagjaren 2008 en 2010 geen verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. De Commissie overweegt dat bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2009, 2011, 2012, 2013 en 2014 niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. De verlagingen die over deze toeslagjaren hebben plaatsgevonden zijn het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen, die met uitzondering van toeslagjaar 2014 niet tot een terugvordering hebben geleid, zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.

Brede uitvraag in toeslagjaren 2010/2011

Gemachtigde heeft ter zitting ten aanzien van de toeslagjaren 2010 en 2011 opgeworpen dat sprake is geweest van een ‘brede uitvraag’ bij belanghebbende en dat B/T hiermee vooringenomen heeft gehandeld. Zij verwijst hiervoor naar het door belanghebbende op 7 februari 2011 ingezonden retourformulier (productie 1211003) waaruit volgt dat B/T in één uitvraag zowel de facturen over november en december 2010 als de factuur over januari 2011 heeft opgevraagd.

UHT stelt zich op het standpunt dat, gelet op de uitvraag zoals vermeld op het retourformulier, sprake is van een reguliere uitvraag en niet is gebleken van vooringenomen handelen.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten in de voorhanden zijnde stukken gevonden die duiden op een brede uitvraag, als door gemachtigde bedoeld. Het hoort tot de taak van B/T om het recht op KOT vast te stellen en daarbij kan het noodzakelijk zijn om de nodige stukken en informatie bij belanghebbende op te vragen. In het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT (hierna: Handboek) is als voorbeeld van een brede uitvraag vermeld: “Veel stukken en over meerdere jaren uitgevraagd”. De Commissie meent dat het enkele feit dat eenmalig in een uitvraag facturen worden opgevraagd over twee maanden in 2010 en één maand in 2011 niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een brede uitvraag die leidt tot vooringenomen handelen. Dit kan, anders dan gemachtigde stelt, ook niet uit het voorbeeld genoemd in het Handboek worden afgeleid. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Toeslagjaar 2011

Met betrekking tot toeslagjaar 2011 heeft gemachtigde ter zitting gewezen op een brief van B/T van 5 oktober 2011 (productie 1211008). In deze brief is het volgende vermeld: “Vanaf maart 2011 heeft u geen kinderopvangtoeslag ontvangen omdat wij op 4 maart 2011 nog geen reactie hadden ontvangen. Wij hervatten de betalingen kinderopvangtoeslag zoals u gewend was. Het bedrag dat u nog niet ontvangen hebt, maken we ook aan u over”.

UHT verwijst naar het LIC-overzicht van 2011 waaruit volgt dat er feitelijk geen stopzetting van de KOT heeft plaatsgevonden. De betalingen zijn gedurende het gehele jaar doorgelopen.

De Commissie overweegt dat de LIC-overzichten zijn opgebouwd op basis van de betalingen en verrekeningen die B/T feitelijk heeft verricht. De LIC-overzichten, de overige stukken uit het dossier en het ouderverhaal zoals ter zitting naar voren is gebracht geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat de betalingen in 2011 niet zijn doorgelopen, zouden zijn gestopt en daarna zouden zijn hervat. Van enigerlei leemte in de reeks van betalingen blijkt niet. Dat onduidelijkheid bestaat over de aanleiding en inhoud van de brief van 5 oktober 2011, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is geweest van een vooringenomen handeling.

Toeslagjaren 2012 en 2013, hardheid

Gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat in de jaren 2012 en 2013 sprake is van hardheid van het stelsel, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling is betaald, terwijl – naar zij stelt - vervolgens bedragen van meer dan € 1.500,- van belanghebbende zijn teruggevorderd. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Voor deze jaren is aannemelijk geworden het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de kinderopvanginstelling en niet aan belanghebbende ten goede kwam, lager was dan € 1.500,-. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

De Commissie merkt in dit verband op dat het te betreuren valt dat als gevolg van het automatisch continueren van de KOT in januari 2012 betaling aan de verkeerde kinderopvanginstelling heeft plaatsgevonden. Dit heeft er toe geleid dat voor januari 2012 een bedrag van € 623,- is betaald aan kinderopvanginstelling [naam], terwijl belanghebbende in die maand kinderopvang heeft afgenomen bij Stichting Kinderopvang [naam]. Belanghebbende heeft ter zitting toegelicht dat zij de kosten van opvang bij [naam] in januari 2012 zelf heeft voldaan. Hoewel de Commissie erkent dat belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt van deze situatie en hierdoor mogelijk financiële problemen heeft ondervonden, ziet de Commissie in deze gang van zaken geen aanknopingspunt om te stellen dat deze een beroep op de hardheidsregeling rechtvaardigt.

Volledigheidshalve wijst de Commissie er op dat in 2012 en 2013 wel verlagingen hebben plaatsgevonden van € 1.500,- of meer, maar dat die niet hebben geleid tot een terugvordering.

De Commissie heeft in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Het door belanghebbende op dit punt ontwikkelde bezwaar treft dan ook geen doel.

Opzet/grove schuld (hierna O/GS)

Gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat geen inzage is verkregen in de wijze waarop de O/GS-toets heeft plaatsgevonden.

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing en ter zitting toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de O/GS-beoordeling door CPA UHT en B&I. Daarbij is opgemerkt dat alleen over 2014 sprake is geweest van een terugvordering en dat uit de LIC-overzichten volgt dat met betrekking tot deze terugvordering een betalingsregeling is getroffen.

In specifieke gevallen is het mogelijk om op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1 van de Wht een O/GS-tegemoetkoming toe te kennen voor het weigeren van een betalingsregeling zonder dat er sprake is van een O/GS-kwalificatie. Nu niet gebleken is van een situatie dat een betalingsregeling is verzocht en afgewezen, meent de Commissie dat de op de O/GS-beoordeling betrekking hebbende stukken in onderhavige procedure niet tot een andere beslissing kunnen leiden. Desondanks adviseert de Commissie UHT in het besluit op bezwaar alsnog een duidelijke toelichting te geven over de wijze waarop de O/GS vaststelling heeft plaatsgevonden met, voor zover van toepassing, een verwijzing naar de hieraan ten grondslag liggende stukken.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter