BAC 2023-14271
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: : 31 augustus 2023 (UHT-DCH)
21 september 2023 (UHT-DCH)
27 maart 2025 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 31 augustus 2023 (UHT-DCH), 21 september 2023 (UHT-DCH) en 27 maart 2025 (UHT-DCHO).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €66.961,- voor de jaren 2012 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 maart 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). UHT heeft de jaren 2012 tot en met 2014 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 9 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden februari tot en met december van 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden, omdat gedurende die periode er geen kinderopvang is afgenomen.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 6 juli 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €50.800,-.
- UHT heeft bij het bestreden besluit van 31 augustus 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van €51.185,- voor de jaren 2012 tot en met 2014.
- Op 21 september 2023 heeft belanghebbende een herzien besluit ontvangen met kenmerk UHT-DCH, waarin aan belanghebbende voor die jaren een compensatie is toegekend van €51.386,-.
- Gemachtigde heeft bij bief van 29 september 2023, ingekomen, tegen het besluit van 31 augustus 2023 een bezwaarschrift ingediend.
- Per e-mail van 26 oktober 2023 heeft gemachtigde de Commissie verzocht om het besluit van 21 september 2023 mee te nemen in de lopende bezwaarprocedure.
- Op 27 maart 2025 heeft UHT een opnieuw herzien besluit met kenmerk UHT-DCHO genomen, waarin aan belanghebbende een compensatie van €66.961,-voor de jaren 2012 tot en met 2014 is toegekend.
- Per e-mail van 24 april 2025 heeft gemachtigde de Commissie verzocht om ook het besluit van 27 maart 2025 mee te nemen in de lopende bezwaarprocedure.
- UHT heeft in een beschouwing van 4 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
- Op 23 oktober 2025 heeft de gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik maakt van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende. De op 3 december 2025 geplande hoorzitting is geannuleerd.
- Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft de gemachtigde op 2 december 2025 nadere gronden ingediend.
- De Commissie acht zich gelet op het voorgaande voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2014 zoals (uiteindelijk) vermeld in het bestreden besluit van 27 maart 2025 en de bijlage bij de beschouwing van 4 juni 2025 op de juiste wijze heeft berekend.
Geen persoonlijk dossier
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid met de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende.
De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet tot gegrondverklaring van het bezwaar kan leiden.
Beoordeling compensatieberekening toeslagjaren 2012 tot en met 2014
Belanghebbende heeft ook aangevoerd dat zij het niet eens is met de compensatieberekening en de wijze waarop de immateriële schade is berekend. Gemachtigde heeft in de aanvullende gronden van 2 december 2025 aangevoerd dat de aanvangsdatum voor de vergoeding voor immateriële schade moet worden vastgesteld op 1 oktober 2012 omdat de KOT betaling veel later heeft plaatsgevonden dan de beschikking. Hierdoor heeft belanghebbende de kosten voor de opvang uit eigen zak moeten betalen. Voorts stelt gemachtigde dat het bedrag onder component a onjuist is vastgesteld op €6.160,-. Dit moet volgens gemachtigde €15.945,- zijn.
Aangevoerd is dat belanghebbende bij beschikking van 27 maart 2025 voor de jaren 2012 en 2013 is gecompenseerd op grond van vooringenomenheid. Voor het jaar 2014 is belanghebbende zowel op grond van vooringenomenheid als hardheid gecompenseerd, omdat te veel KOT aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, wat niet ten goede is gekomen van belanghebbende. Hierdoor heeft belanghebbende de terugvordering van meer dan €1.500,- zelf moeten voldoen. Gemachtigde stelt zich verder op het standpunt dat een bedrag van €15.945,- onder component a opgenomen dient te worden (pagina 213 van het dossier).
De commissie stelt vast dat UHT in de beschouwing van 4 juni 2025 per toeslagjaar en per component heeft toegelicht of de gehanteerde bedragen in het bestreden besluit van 27 maart 2025 juist zijn.
Daarbij is UHT gebleken dat in toeslagjaar 2014 meerdere componenten onjuist zijn berekend. Zo had bij component f (verschil met laatst vastgestelde beschikking KOT inclusief toeslagrente) het bedrag van €697,- uit de laatst vastgestelde beschikking moeten worden opgenomen, maar is dit ten onrechte op €0,- gesteld. Ook blijkt uit component i (betaalde invorderingskosten -en rente) dat belanghebbende €1.442,54,- aan invorderingskosten en rente heeft betaald, terwijl in de berekening €4.451,- was opgenomen.
Daarnaast is bij component o vastgesteld dat de rente over gemiste KOT voor alle beoordeelde jaren onjuist is berekend doordat een onjuiste einddatum (3 april 2025 in plaats van 27 maart 2025) is gehanteerd.
Omdat correctie van deze fouten nadelig zou uitpakken voor belanghebbende, blijven de bedragen op grond van het verbod op reformatio in peius ongewijzigd, al kan UHT deze wel binnen hetzelfde toeslagjaar verrekenen.
Ten slotte heeft UHT bij component n (vergoeding voor immateriële schade) vastgesteld dat zowel de start- als einddatum onjuist waren, zonder gevolgen voor het uiteindelijke bedrag. De totale periode van immateriële schade bedraagt 26 halve jaren, hetgeen leidt tot een correcte vaststelling van €13.000,-. Dit bedrag zal daarom niet worden aangepast in de beslissing op bezwaar.
De Commissie kan zich hiermee verenigen.
Verder overweegt zij dat het bestreden besluit van 27 maart 2025 betrekking heeft op de KOT die is toegekend op naam van belanghebbende. Het bedrag onder component a, €6.160,- komt de Commissie dan ook juist voor. Dee Commissie wijst op de KOI-viewer op pagina 213 van het dossier waarin het door belanghebbende genoemde bedrag van €15.945 niet op naam van belanghebbende maar van zijn toeslagpartner geregistreerd staat Daarom kan dit bedrag niet worden opgevoerd onder component a van de compensatieberekening van belanghebbende. De Commissie overweegt verder dat het door de gemachtigde in punt 49 van de aanvullende gronden genoemde bedrag van €25.723,-, anders dan belanghebbende heeft aangevoerd, niet bij component a van het jaar 2014 kan worden betrokken, maar betrekking heeft op het jaar 2013 en als uitgangspunt voor dat jaar is genomen.
Toeslagjaar 2014 - opvangperiode
Gemachtigde heeft aangevoerd dat de stelling van UHT niet gevolgd kan worden dat alleen opvang is afgenomen in de maand januari 2014 en dat voor de maanden februari tot en met december 2014 sprake is van hardheid. In dit verband vraagt gemachtigde zich af waarom B/T niet heeft doorgevraagd naar aanleiding van het mailbericht van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI).
De Commissie overweegt hierover deze grond doel treft. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd doet geen afbreuk aan hetgeen UHT met betrekking tot het toeslagjaar 2014 heeft uiteengezet. De Commissie stelt vast dat belanghebbende heeft verklaard dat alleen in de maand januari 2014 opvang is afgenomen en vanaf februari niet, uit angst voor de terugvorderingen (zie ouderverhaal, pagina 19 van het dossier). Om die reden is aan belanghebbende reeds een compensatie op grond van hardheid toegekend. De Commissie is van oordeel dat bovenstaande bezwaargronden niet tot gegrondverklaring van het bezwaar kunnen leiden.
FSV, O/GS en discriminatie
Gemachtigde heeft in het aanvullend bezwaarschrift van 4 november 2025 aangevoerd dat over de O/GS-kwalificatie en discriminatie geen algemene informatie te vinden is in het dossier. Ten aanzien van de FSV-check stelt gemachtigde dat dit een vast onderdeel betreft van het herstelproces en dat de onderliggende stukken overgelegd dienen te worden.
De Commissie stelt vast dat uit de nadere beschouwing van UHT blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Hiervan heeft UHT een afschrift overgelegd (productie 2700001) Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt. De Commissie adviseert UHT om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.
De Commissie overweegt ten aanzien van de O/GS dat UHT in de beschouwing, onder verwijzing naar productie 1300000, heeft toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.
Ten aanzien van discriminatie overweegt de Commissie dat van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, uit de ter beschikking staande stukken niet is gebleken.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar.
Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. Hoewel de Commissie hier begrip voor heeft, overweegt zij dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter