Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13583

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 april 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 9 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €15.961,- voor de jaren 2007, 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2007 tot en met 2010.
  • UHT heeft bij besluit van 21 februari 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-. Dat bedrag is aan belanghebbende betaald.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 december 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende het jaar 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 28 april 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van €15.961,- voor de jaren 2007 tot en met 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 21 juni 2023, ingekomen op 26 juni 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
  • Gemachtigde heeft voorts in een e-mailbericht van 23 oktober 2025 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde heeft verzocht om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen.
  • De Commissie heeft in een e-mailbericht van 9 december 2025 aan gemachtigde en UHT laten weten dat de hoorzitting wordt geannuleerd en dat in plaats daarvan een schriftelijke ronde volgt. Tevens is in dat bericht aan gemachtigde een termijn gegeven voor het indienen van nadere bezwaargronden.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 december 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld. UHT heeft daar op 23 december 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Persoonlijk dossier

Belanghebbende heeft verzocht om zijn (volledige) persoonlijk dossier.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 17 juli 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier of ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaargronden kunnen daarom niet tot het door hem gewenste resultaat leiden. Dit betekent dat de Commissie UHT adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Persoonlijk relaas van belanghebbende niet in kaart gebracht

Belanghebbende heeft aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt wat zich destijds heeft afgespeeld en dat de persoonlijk zaakbehandelaar heeft nagelaten het volledige persoonlijk relaas van belanghebbende in kaart te brengen.

De Commissie stelt vast dat de persoonlijk zaakbehandelaar op 29 juni 2021 een gesprek met belanghebbende heeft gevoerd, waarvan een verslag is gemaakt dat in het dossier is opgenomen (pagina 37 bezwaardossier). Een deel van het betreffende verslag is bovendien opgenomen in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 19 bezwaardossier). Daarmee staat vast dat het persoonlijk relaas van belanghebbende in kaart is gebracht en is opgenomen in he bezwaardossier. Deze bezwaargrond kan gelet hierop niet slagen.

Beslistermijn aanvraag KOT

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.

De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt. Zij laat het daarom verder onbesproken.

Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen

Gemachtigde heeft aangevoerd dat UHT haar beoordeling niet alleen dient te beperken tot neerwaartse bijstellingen en nihilstellingen. UHT dient volgens haar ook te beoordelen of de KOT over enig toeslagjaar juist is vastgesteld.

De Commissie overweegt dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.

Compensatie

Compensatieberekening

UHT heeft in reactie op het bezwaar van belanghebbende de compensatieberekening nagerekend en vastgesteld dat die berekening voor wat betreft toeslagjaar 2008 op enkele punten onjuist is geweest. Component f in de compensatieberekening moet zijn €2.089,- in plaats van €2.284,-. Nu het bezwaar van belanghebbende om deze reden deels gegrond is, dient de immateriële schade (component n) en de 1%-vergoeding over het totaal (component p) te worden aangepast.

De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en adviseert UHT het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren, het betreffende besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen zoals hiervoor omschreven.

Component a (toeslagjaar 2007)

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de berekening van component a in de compensatieberekening over toeslagjaar 2007 onjuist is. Hij verzoekt om de compensatie over dat jaar opnieuw te berekenen.

UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing op dit punt gereageerd en gemotiveerd toegelicht waarom de berekening van component a over toeslagjaar 2007 juist is. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Afwijzing compensatie 2010

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor het jaar 2010 af te wijzen.

Belanghebbende voert in dit verband aan dat hij de KOT niet heeft stopgezet. Vermoedelijk heeft de kinderopvanginstelling of B/T de KOT stopgezet.

De Commissie overweegt dat uit de voorhanden stukken blijkt dat de KOT op 26 december 2010 is stopgezet met ingang van 1 januari 2010 (Xml-bestand pagina 323 bezwaardossier). Naar aanleiding van deze stopzetting heeft B/T driemaal een nihilbeschikking aan belanghebbende gezonden, te weten de beschikkingen van 8 april 2010, 4 juni 2010 en 26 juli 2011. Belanghebbende is in deze beschikkingen steeds gewezen op de mogelijkheid om bezwaar te maken, maar daarvan is geen gebruik gemaakt. Dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet wordt ondersteund door informatie uit het RKT-bestand (weergegeven op pagina 334 bezwaardossier).

De Commissie heeft gelet hierop geen concrete aanknopingspunten die erop duiden dat een ander dan belanghebbende de KOT heeft stopgezet per 1 januari 2010. Nu het ervoor moet worden gehouden dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet is de nihilbeschikking van 8 april 2010 niet vooringenomen geweest. Van bijzondere omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid is evenmin gebleken.

Dat betekent dat over het jaar 2010 geen recht op compensatie bestaat. Het bezwaar van belanghebbende kan daarom niet slagen.

Tot slot overweegt de Commissie dat B/T over dit jaar gebruikt heeft gemaakt en mocht maken van haar bevoegdheid tot verrekening van de KOT met andere openstaande schulden van belanghebbende. De enkele stelling van belanghebbende dat B/T terughoudendheid hierin had moeten betrachten, kan niet slagen.

Overige bezwaren

Fraude Signalering Voorziening (FSV)

Belanghebbende voert aan dat uit het dossier blijkt dat hij is opgenomen op de zogeheten FSV-lijst. Hij verzoekt om de onderliggende stukken daarvan te overleggen.

De Commissie stelt vast dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende is opgenomen op de FSV-lijst. Dat wordt expliciet benoemd in het bericht dat staat weergegeven op pagina 347 van het bezwaardossier. Evenwel, dat belanghebbende als gevolg van opname op de FSV-lijst enig extra nadeel heeft ondervonden, anders dan het nadeel waarvoor hij reeds is gecompenseerd, heeft de Commissie niet kunnen herleiden uit de voorhanden zijnde stukken. Dit bezwaar van belanghebbende kan daarom niet slagen.

Opzet/grove schuld (O/GS)

Belanghebbende verzoekt voorts aan UHT om de onderliggende stukken te overleggen waaruit blijkt dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie.

De Commissie stelt vast dat uit de voorhanden zijnde stukken, in het bijzonder de informatie weergegeven op pagina 343 van het bezwaardossier, voldoende blijkt dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van een O/GS-kwalificatie. Het dossier bevat evenmin anderszins, bijvoorbeeld in de LIC-overzichten, daarvoor aanknopingspunten. Dit bezwaar van belanghebbende slaagt daarom niet.

Overig

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskostenvergoeding

Nu de bezwaren deels gegrond zijn en zullen moeten leiden tot herroeping van de bestreden beslissing met kenmerk UHT-DCH, zal de Commissie UHT adviseren de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van één procespunt (bezwaarschrift). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen en om:
  • de compensatieberekening als volgt aan te passen:
    • component f over toeslagjaar 2008 vast te stellen op €2.089,-;
    • de einddatum van de vergoeding van immateriële schade vast te stellen op de datum van de beschikking op bezwaar;
    • de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter