BAC 2022-04871
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 februari 2022 (UHT-DC I)
Hoorzitting: 29 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening over toeslagjaren 2008 en 2009 aan te passen en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) is aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €89.446,- voor de jaren 2008 en 2009. De compensatie is aan belanghebbende toegekend omdat zij deel heeft uitgemaakt van een CAF-onderzoek [naam gastouderbureau].
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 30 januari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 en 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 21 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 14 december 2021 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €88.499,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 23 februari 2022 met kenmerk UHT-DCH I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €89.446,- voor de jaren 2008 en 2009.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 maart 2022, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 juli 2022, het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 16 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift, onder bijvoeging van een herziene berekening.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 september 2025, het bezwaarschrift aangevuld.
- Per e-mailbericht van 21 oktober 2025 heeft gemachtigde aan de Commissie gemeld dat belanghebbende geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid het bezwaar op een hoorzitting toe te lichten. Zij verzoekt de Commissie om een nadere schriftelijke ronde in te lassen.
- Per e-mailbericht van 27 oktober 2025 heeft de Commissie gemachtigde en UHT geïnformeerd dat de hoorzitting doorgang zal vinden.
- Op 28 oktober 2025 heeft UHT nadere stukken ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 oktober 2025 nadere gronden ingediend.
- Op 29 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de vertegenwoordiger van UHT aanwezig was. Belanghebbende en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 17 november 2025 een nadere schriftelijke reactie en nadere stukken ingediend. Gemachtigde heeft daar op 28 november 2025 onder toezending van een nader stuk op gereageerd.
- De Commissie acht zich gelet op het voorgaande voldoende geïnformeerd om tot een advies te komen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend.
Op de zaak betrekking hebbende stukken en het persoonlijk dossier
Belanghebbende voert aan dat zij niet in staat is om haar inhoudelijke bezwaren in volledigheid voor te leggen daar zij niet beschikt over de onderliggende dossierstukken. Belanghebbende verzoekt ook om haar persoonlijk dossier.
De Commissie stelt vast dat de beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 7 april 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling compensatieberekening over toeslagjaren 2008 en 2009
Belanghebbende betwist de juistheid van de compensatieberekening. Zij voert aan dat de vergoeding van 25% voor de materiële schade niet is berekend over de daadwerkelijk betaalde kosten en rente (componenten f en g).
Verder stelt belanghebbende dat de termijn voor de vergoeding voor immateriële schade onjuist is vastgesteld en moet aanvangen vanaf de start van het onderzoek naar het gastouderbureau tot het moment waarop op het bezwaarschrift is beslist. Ten slotte meent belanghebbende dat de vergoeding van juridische kosten onjuist is berekend, omdat zij voor de toeslagjaren 2008 en 2009 meerdere procedures heeft gevoerd.
UHT erkent in de beschouwing dat de rente over de gemiste kinderopvangtoeslag (component m) onjuist is berekend. De rentevergoeding dient te worden berekend vanaf 1 juli na afloop van het betreffende toeslagjaar tot aan de datum van de compensatiebeschikking. De gecorrigeerde bedragen zijn door UHT vastgesteld op €13.237,- voor 2008 en €11.369,- voor 2009 (productie 37).
Voorts erkent UHT dat de vergoeding voor de immateriële schade (component l) onjuist is berekend. De periode had moeten aanvangen op 9 augustus 2012 (productie 38) tot en met 23 februari 2022. Nu het bezwaar gelet op component m (rente over gemiste KOT) gedeeltelijk gegrond is, zal de vergoeding voor immateriële schade doorlopen tot aan de datum van de beslissing op bezwaar. Dit bedrag mag echter niet hoger zijn dan het bedrag onder component e.
Met betrekking tot component d (het verschil met de laatst vastgestelde beschikking) heeft UHT toegelicht dat bij beschikking van 1 oktober 2013, volgend op de nihilstelling van 23 augustus 2012, is vastgesteld dat belanghebbende recht had op €29.878,- aan KOT (SAS-overzicht, productie 15). B/T heeft in totaal €33.011,- uitbetaald, welk bedrag is opgenomen onder component d. Het verschil van €3.133,- betreft rente, zoals blijkt uit het LIC-overzicht (productie 16). Daarnaast is op 16 januari 2014 nog €224,-uitbetaald. De Commissie acht de toelichting van UHT navolgbaar.
Met betrekking tot de vergoeding voor juridische kosten (component k) erkent UHT dat deze onjuist is berekend voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Belanghebbende heeft voor beide jaren vier punten toegekend gekregen (bezwaarschrift, hoorzitting bezwaar, beroepschrift en hoorzitting beroep), met een wegingsfactor 2. Daarbij is ten onrechte het tarief van 2021 toegepast, terwijl het tarief van 2022 had moeten worden gehanteerd. De juiste vergoedingen bedragen respectievelijk €4.124,- voor 2008 en €6.072,- voor 2009. Het bedrag van €1.948,- aan eerder betaalde proceskostenvergoeding is in mindering gebracht op de vergoeding voor 2008 (productie 21).
Gelet op het voorgaande zal UHT de aanvullende vergoeding van 1% (component n) aanpassen. Ook zal component o worden aangepast naar €89.446,-. Dit is het bedrag wat belanghebbende tot nu toe aan compensatie heeft ontvangen (productie 5).
De Commissie neemt met instemming kennis van het voorgaande, maar overweegt ten aanzien van de proceskosten aanvullend als volgt. Met betrekking tot de juridische kosten stelt de Commissie vast dat UHT in de beschouwing vijf proceshandelingen opsomt en vervolgens concludeert dat belanghebbende recht heeft op vier maal een proceskostenvergoeding. Indien de berekening met toelichting zoals opgenomen in de beschouwing van 16 juli 2024 als uitgangspunt wordt genomen, valt de Commissie het volgende op.
Ten aanzien van toeslagjaar 2008 vermeldt UHT de volgende proceshandelingen: bezwaar, hoorzitting bezwaar, beroep en zitting beroep. De Commissie constateert echter dat op pagina 134 van het dossier tevens een uitspraak in hoger beroep van 21 mei 2014 is opgenomen. Uit het procesverloop van die uitspraak (pagina 135) blijkt dat belanghebbende in die fase ter zitting werd bijgestaan door een advocaat.
Ten aanzien van toeslagjaar 2009 vermeldt UHT de volgende proceshandelingen: bezwaar, hoorzitting, beroep en zitting beroep. De Commissie constateert evenwel dat op pagina 296 van het ouderdossier een uitspraak in hoger beroep van 26 oktober 2016 is opgenomen. Uit het procesverloop (pagina 297) volgt dat een zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden waarbij belanghebbende werd bijgestaan door gemachtigde.
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat belanghebbende per verrichte proceshandeling recht heeft op een proceskostenvergoeding. Nu in dit geval meer proceshandelingen zijn verricht, adviseert de Commissie UHT om de berekening dienovereenkomstig te herzien.
Met betrekking tot de vergoeding voor immateriële schade overweegt de Commissie dat op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van een eerste besluit tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden gunstiger beleid, waarbij zij voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade uitgaat van de datum van de eerste vooringenomen handeling door B/T. Belanghebbende verzoekt om de startdatum voor de vergoeding van immateriële schade te vervroegen naar de aanvangsdatum van het onderzoek naar gastouderbureau [naam]. De Commissie stelt vast dat het onderzoek naar [gastouderbureau] is aangevangen in 2009, maar in 2010 tot acties heeft geleid. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat belanghebbende in de jaren 2008 en 2009 op grond van het onderzoek [gastouderbureau] individueel vooringenomen is bejegend. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij ook recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming en verzoekt om de onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan de conclusie dat er geen O/GS is vastgesteld.
UHT stelt zich op het standpunt dat voor het jaar 2009 is aan belanghebbende een betalingsregeling afgewezen op basis van O/GS (producties 35 en 36).
Belanghebbende is echter al gecompenseerd op basis van vooringenomen handelen. Daarom komt belanghebbende voor die terugvordering niet meer in aanmerking voor de O/GS-regeling. Dit volgt uit artikel 2.6 lid 4 Wht.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor toeslagjaar 2009 reeds is gecompenseerd op grond van de meest ruimhartige herstelregeling. Nu belanghebbende al is gecompenseerd wegens vooringenomen handelen, komt zij voor deze terugvordering niet in aanmerking voor toepassing van de O/GS-regeling.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaarschrift op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Met betrekking tot toeslagjaar 2008 geeft de Commissie UHT in overweging het onderliggende dossier, het invorderingsdossier, bij het besluit op bezwaar toe te sturen.
Belanghebbende betoogt dat het jaar 2010 ten onrechte niet is beoordeeld en dat het onlogisch is dat er geen gegevens over dit jaar bekend zijn.
De Commissie overweegt dat vaststaat dat belanghebbende voor dit jaar geen KOT heeft aangevraagd (productie 44; SAS aanvraagoverzicht). Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. Belanghebbende voldoet voor dit jaar niet aan dit vereiste en komt daarom niet voor compensatie op grond van deze herstelmaatregel in aanmerking. Op grond hiervan adviseert de Commissie UHT om deze bezwaargrond ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan nu aan haar is vergoed en verzoekt om een aanvullende compensatie, omdat haar kinderen niet de nodige zorg en opvoeding hebben gekregen en ondervinden daar nog steeds de gevolgen van.
Belanghebbende heeft inkomensderving gehad en verlies aan levensvreugde.
Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende meer schade heeft geleden, overweegt zij dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade.
Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op: www.schadeherstel.toeslagen.nl.
Belanghebbende heeft verzocht om een nader onderzoek naar discriminatie. De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij de Commissie Werkelijke Schade worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie.
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende voorkomt op de FSV-lijst (productie 41).
Volgens UHT is dit op zichzelf geen reden voor compensatie. Belanghebbende heeft alleen recht op compensatie als de vermelding in het FSV-systeem aanleiding is geweest voor een zero-tolerance onderzoek.
In de systemen is niet te zien dat daarvan sprake is geweest. De Commissie heeft in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten gevonden die in een andere richting wijzen.
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie ten dele gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 1 procespunt (bezwaarschrift zonder hoorzitting) met een wegingsfactor 2.
Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening conform de Bijlage compensatieberekening aan te passen;
- de vergoeding voor juridische kosten in de compensatieberekening aan te passen;
- met betrekking tot toeslagjaar 2008 geeft de Commissie UHT in overweging het onderliggende dossier (het invorderingsdossier) bij het besluit op bezwaar toe te sturen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van één procespunt met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter