Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15721

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 mei 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 20 oktober 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 3 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 6.059,- voor de jaren 2010 en 2012. Voor het toeslagjaar 2011 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010 en 2011. Belanghebbende heeft haar verzoek uitgebreid met toeslagjaar 2012.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies aan UHT geoordeeld dat gedurende de jaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 6.059,- (€ 4.234,- wegens hardheid in 2012 en €1.825,- wegens een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (hierna: O/GS) in 2010 en 2012). Voor het toeslagjaar 2011 is geen compensatie toegekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2024, ingekomen op 13 juni 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Deze reactie wordt hierna aangeduid als de beschouwing.
  • Op 20 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 28 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 25 november 2025 op gereageerd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 15 december 2025 met een aanvullende beschouwing gereageerd op de reactie van gemachtigde van 25 november 2025. Bij e-mail van 8 januari 2026 heeft gemachtigde laten weten dat die aanvullende beschouwing geen aanleiding geeft voor een inhoudelijke reactie.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Dossier

Belanghebbende vraagt om het persoonlijk dossier. De Commissie geeft daaraan geen gevolg. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht. Dat is waar het hier op aankomt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2010

Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij zich ten aanzien van dit toeslagjaar kan vinden in hetgeen UHT daarover heeft opgemerkt in haar beschouwing. Hoewel belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie, omdat zij voor dit toeslagjaar evident geen recht had op KOT, zal UHT haar toch compenseren vanwege de gedane toezegging daaromtrent. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar van belanghebbende op dit onderdeel gegrond te verklaren en te beslissen zoals verwoord in de beschouwing.

Toeslagjaar 2011

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvordering KOT over dit toeslagjaar was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen (door de kinderopvanginstelling verstrekte gegevens en een door de B/T vastgesteld hoger toetsingsinkomen) opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Ingevolge artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van vooringenomen handelen door de B/T. Niet ter discussie staat dat de B/T jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. Echter, toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie overweegt dat deze situatie zich hier voordoet. Op grond van artikel 1.6 lid 1 van de Wet kinderopvang, zoals dit destijds luidde, bestaat slechts recht op kinderopvangtoeslag indien zowel de aanvrager als de toeslagpartner in Nederland wonen of werken, een traject naar werk of opleiding volgen of een daarmee vergelijkbare uitkering ontvangen. Belanghebbende heeft verklaard dat haar echtgenoot in de jaren 2010 tot en met 2012 in Marokko woonde, daar niet werkte en geen inkomsten had. Haar echtgenoot viel daarmee niet onder de in artikel 1.6 genoemde doelgroepen, terwijl ook de toen geldende uitzondering voor partners die in een EU- of EER-land of Zwitserland werken niet van toepassing was. Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende zich gesteund voelt door het advies in de zaak BAC 2022-03179, kan dat advies haar in deze procedure niet helpen. Die eerdere zaak draaide uitsluitend om de vraag of sprake was van duurzaam gescheiden levende partners. In deze zaak gaat het echter om een wezenlijk andere situatie, waarin de toeslagpartner buiten de EU, de EER of Zwitserland verbleef, niet werkzaam was en niet tot de doelgroep behoorde. Het eerdere advies biedt daarom geen aanknopingspunt voor een ander oordeel in deze zaak. De omstandigheid dat ‘evident geen recht’ niet (ook) voor andere toeslagjaren is tegengeworpen, maakt dit niet anders.

Vermelding verdient nog het volgende. Artikel 1.6 van de Wet kinderopvang is gewijzigd bij de Wet van 20 november 2024, Stb. 390. Daarbij is de uitsluiting van aanvragers met partners van buiten de EU, de EER of Zwitserland vervallen. Deze wijziging werkt terug tot en met 4 maart 2022. Dit tijdstip ligt ver na de jaren die in het bezwaar aan de orde zijn. Door deze recente en welbewuste keuze van de wetgever kan de Commissie niet voorbijgaan aan de hierin gelegen wettelijke belemmering.

Belanghebbende stelt nog dat het criterium van het hebben van een echtgenoot in het buitenland zonder verblijfsvergunning op zichzelf als vooringenomen en in strijd met het gelijkheidsbeginsel moet worden beschouwd. De Commissie volgt dit betoog niet. Het partnerbegrip voor de kinderopvangtoeslag sluit aan bij de wettelijke criteria (waaronder huwelijk) en is niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of de partner feitelijk kan of mag bijdragen aan de verzorging van de kinderen. Dat leidt er weliswaar toe dat gehuwde ouders met een partner in het buitenland anders worden behandeld dan eenoudergezinnen, maar dit verschil vloeit rechtstreeks voort uit de wetssystematiek en is objectief gerechtvaardigd en niet discriminerend. Het door belanghebbende aangehaalde eerdere advies van de Commissie betreft, zoals hiervoor overwogen, bovendien een andere rechtsvraag en biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. De omstandigheid dat in de systemen van de B/T geregistreerd staat dat belanghebbende sinds 2007 een toeslagpartner heeft, maakt dit niet anders.

Daarenboven heeft UHT – zonder verdere tegenspraak van belanghebbende – betoogd dat de B/T pas in 2019 over deze informatie beschikte doordat belanghebbende dit pas toen heeft doorgegeven. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Voor het toeslagjaar 2012 is belanghebbende wel gecompenseerd wegens hardheid. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft UHT de compensatieberekening voor dit toeslagjaar opnieuw gemaakt en vastgesteld dat daarin fouten zijn gemaakt. Deze fouten vallen echter uit in het voordeel van belanghebbende (er is meer compensatie toegekend dan waar zij recht op had), zodat de compensatiebedragen, vanwege het verbod van reformatio in peius (belanghebbende mag door het bezwaar niet in een slechtere positie raken dan zonder het bezwaar) niet zullen worden verlaagd. Omdat belanghebbende ook voor het toeslagjaar 2010 gecompenseerd wordt, zullen de componenten n (immateriële schade) en p (aanvulling van 1%) worden aangepast in de beslissing op bezwaar. UHT erkent in haar beschouwing dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2012 aanspraak heeft op een OG/S-tegemoetkoming. De Commissie vindt dat de berekening van deze tegemoetkoming, die overigens niet door belanghebbende bestreden is, duidelijk is en steun vindt in het dossier. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter