Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15448

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 november 2021 (UHT-DH5)

Hoorzitting: 10 juli 2025

Overdracht advies aan UHT: 4 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 februari 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011 en 2012.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 2 november 2021 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 november 2023, ingekomen op 9 november 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Op 24 oktober 2024 en 7 juli 2025 heeft gemachtigde de gronden van het bezwaarschrift per brief aangevuld.
  • UHT heeft op 8 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 10 juli 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 24 juli 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft de Commissie op 7 augustus 2025 laten weten dat belanghebbende geen aanleiding zag om inhoudelijk op de nadere schriftelijke reactie van UHT te reageren.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Volledigheid van de stukken

Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier niet compleet is en dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie van UHT, alsmede haar aanvullende beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Motiveringsgebrek en schending andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat zij daarover in haar beschouwing heeft opgemerkt.

Niet beoordeelde jaren.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en de toeslagjaren 2013 tot en met 2019 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van toekenning van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2010 tot en met 2012. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de toeslagjaren 2005 tot en met 2009 en de toeslagjaren 2013 tot en met 2019 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om de toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane mededeling van UHT dat de niet beoordeelde jaren nu door haar primaire afdeling alsnog worden herbeoordeeld. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Het toeslagjaar 2012

Belanghebbende stelt dat zij vooringenomen is behandeld. Belanghebbende heeft in 2012 bezwaar gemaakt omdat zij uit een brief van B/T van 30 januari 2012 heeft afgeleid dat haar KOT zou worden stopgezet. Zij stelt niet vooraf door B/T over de voorgenomen stopzetting te zijn geraadpleegd. B/T heeft volgens belanghebbende haar bezwaar niet behandeld. De KOT is met ingang van 1 februari 2012 stopgezet. Als gevolg hiervan heeft belanghebbende haar kind niet langer naar de kinderopvang kunnen brengen, maar heeft zij op een andere manier in opvang moeten voorzien.

De Commissie stelt vast dat de KOT van belanghebbende op 31 januari 2012 automatisch werd gecontinueerd en vastgesteld op € 8.238. Op 21 januari 2012 is de KOT van belanghebbende door B/T verhoogd naar € 8.843 . Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende de KOT vervolgens zelf op 31 januari 2012 per 1 maart 2012 heeft stopgezet. Uit een bezwaarschrift dat door belanghebbende is opgesteld en ingediend, volgt dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen een brief van B/T met kenmerk van 30 januari 2012 met kenmerk 1902.26018 T 12.00.131 waaruit zij heeft afgeleid dat haar KOT per 1 februari 2012 zou worden stopgezet. Uit het bezwaarschrift van belanghebbende, zoals zij dat destijds heeft ingediend, volgt dat haar ziektewetuitkering met ingang van 31 januari 2012 werd stopgezet en dat zij werkloos was. In het dossier bevindt zich een beschikking met als kenmerk voor de KOT: 1902.26.018.T.12.0.0131. Deze beschikking houdt echter geen stopzetting in van de KOT. De KOT van belanghebbende werd met deze beschikking, die is gedateerd op 21 januari 2012, juist verhoogd. In het dossier bevindt zich wel een afschrift van de stopzetting van de KOT per 1 februari 2012. Zij heeft die melding op 3 februari 2012 gedaan, dus nadat zij eerdergenoemd bezwaarschrift indiende. Naar aanleiding van deze stopzetting heeft B/T de KOT op21 maart 2012 herzien en vastgesteld dat belanghebbende alleen recht had op KOT voor de maand januari van het jaar 2012. De KOT werd verlaagd naar € 737. Uit informatie van de kinderopvanginstelling blijkt dat belanghebbende in januari en februari van 2012 kinderopvang heeft afgenomen. Op brieven van B/T van 15 april 2015 en 15 juni 2015 waarin om informatie werd verzocht met betrekking tot de kinderopvang in 2012 om het recht van belanghebbende op KOT vast te kunnen stellen, heeft belanghebbende niet gereageerd. Op 11 september 2015 heeft B/T de KOT van belanghebbende definitief vastgesteld op € 389 op grond van de informatie die B/T van de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) had ontvangen. Ondanks dat de KOT was stopgezet, heeft belanghebbende niet opnieuw KOT aangevraagd. Evenmin heeft zij ten behoeve van de definitieve vaststelling van de KOT een jaaropgave van de KOI toegestuurd waaruit kon blijken dat de kinderopvang na februari 2012 is doorgegaan. Ook tegen de definitieve vaststelling van de KOT maakte belanghebbende geen bezwaar. Tot slot heeft zij ook in de onderhavige bezwaarprocedure niet aannemelijk gemaakt dat zij na februari 2012 nog van geregistreerde kinderopvang gebruik heeft gemaakt.

De Commissie begrijpt dat het voor belanghebbende onbevredigend is dat een antwoord op het bezwaarschrift dat zij in januari 2012 aan B/T zond, niet voorhanden is. De Commissie meent dat dit echter niet aan de beoordeling van het onderhavige bezwaar naar aanleiding van de herbeoordeling KOT in het kader van de Wht in de weg staat. De Commissie stelt vast dat belanghebbende KOT zelf eerst per 1 maart 2012 en vervolgens per 1 februari 2012 heeft stopgezet. Deze laatste stopzetting volgde na het bezwaarschrift waarin zij had gesteld de KOT te willen continueren. De Commissie meent dat B/T van de stopzetting van 3 februari 2012, die een verfijning was van de stopzetting van 31 januari 2012, heeft uit mogen gaan. Vervolgens heeft B/T belanghebbende op de juiste wijze gevraagd haar informatie toe te sturen om haar recht op KOT vast te stellen, op welk verzoek belanghebbende niet heeft gereageerd. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat B/T de KOT van belanghebbende tweemaal naar beneden heeft bijgesteld. Uit de gang van zaken leidt de Commissie niet af dat belanghebbende vooringenomen is behandeld. Bijstellingen als de onderhavige geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. In ieder geval heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS

Belanghebbende wenst voor een O/GS-tegemoetkoming in aanmerking te komen. Op grond van het bezwaardossier kan niet worden vastgesteld dat er in het geval van belanghebbende sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. Ook is niet gebleken dat belanghebbende heeft verzocht om een betalingsregeling en dat haar een dergelijke regeling is geweigerd. Evenmin is gebleken dat belanghebbende een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd. Onder deze omstandigheden kan de Commissie de conclusie van UHT dat belanghebbende geen recht heeft op een O/GS-vergoeding volgen en adviseert zij UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter