BAC 2023-13312
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 26 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 3 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 januari 2023 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 24 februari 2023 met kenmerk CHR-GU aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2023, ingekomen op 8 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 26 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 30 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Belanghebbende heeft daar op 17 juli 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Met de door UHT opgestelde schriftelijke beschouwing en de aanvullende beschouwing, alsmede de stukken die aan deze beschouwingen ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Motivering
Belanghebbende stelt dat hij het door UHT genomen besluit niet kan controleren en dat UHT het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden.
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden besluiten behoeft in dit geval geen beantwoording. De nadere toelichting over de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Commissie werkelijke schade
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht zijn bezwaarschrift door te sturen aan de Commissie Werkelijke Schade. UHT in haar beschouwing van 26 maart 2024 aangegeven dat zij dit verzoek inwilligt.
Ex-toeslagpartnerregeling
Belanghebbende wenst als gedupeerde te worden aangemerkt voor de toeslagjaren 2017 en 2018 waarin de KOT op zijn naam heeft gestaan. Daarnaast wenst hij in aanmerking te komen voor de ex-toeslagpartnerreling. Ex-partners van belanghebbende zijn als gedupeerde aangemerkt. Belanghebbende begrijpt niet waarom hij nog niet als ex-partner is gecompenseerd.
Het besluit waartegen belanghebbende bezwaar heeft gemaakt heeft betrekking op de vraag of belanghebbende rechtstreeks in aanmerking komt voor compensatie omdat 1) het aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T, (2) aan hem ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld is toegekend en hem daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd of (3) hem ten onrechte een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd en hem op grond van artikel 9.1 Wht een O/GS-tegemoetkoming toekomt. Deze bezwaarprocedure heeft geen betrekking op de eventuele compensatie van belanghebbende als ex-toeslagpartner. Daarvoor geldt een aparte procedure. UHT heeft tijdens de hoorzitting toegezegd belanghebbende te zullen informeren over het verloop van deze procedure. Voor zover de Commissie bekend heeft UHT dit nog niet gedaan. Gezien het voorgaande adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren, maar verzoekt zij UHT met klem belanghebbende over de ex-toeslagpartnerregeling te informeren indien en voor zover UHT dit nog niet heeft gedaan.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende stelt dat hij met betrekking tot het toeslagjaar 2017 vooringenomen is behandeld. B/T heeft, aldus belanghebbende, voordat zij een definitieve beschikking nam met betrekking tot de KOT van het jaar 2017 geen jaaroverzicht kinderopvang bij belanghebbende opgevraagd.
Op 22 oktober 2010 heeft B/T een voorschot KOT aan belanghebbende toegekend van € 1.370. Nadat op 22 december 2017 een wijziging van het aantal uren plaatsvond, werd dit voorschot op 9 februari 2018 opwaarts bijgesteld naar €1.411. Op 6 maart 2020 werd de KOT definitief vastgesteld op € 1.331 waarbij, zoals UHT heeft toegelicht, gebruik werd gemaakt van het gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende en zijn toenmalige toeslagpartner. Uit het bezwaardossier blijkt niet dat bij belanghebbende gegevens zijn opgevraagd om zijn recht op toeslag te controleren, zoals een jaaropgave van de kinderopvanginstelling (hierna: de KOI). Uit het door UHT na de hoorzitting toegestuurde overzicht KOT-contra kan niet worden afgeleid dat de KOI het aantal uren kinderopvang heeft doorgegeven. Het KOT-contra overzicht is leeg.
De Commissie overweegt het volgende. In de memorie van toelichting bij artikel 2.1 van de Wht worden vijf aspecten van institutionele vooringenomenheid benoemd: (1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde; (2) het breed uitvragen van bewijsstukken over één of meerdere jaren; (3) zero tolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen en ontbreken bewijsstukken, al dan niet met een tweede check wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijzing was gevonden; (4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken; (5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, net zomin als het ontbreken van een van deze aspecten wijst op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.
Geen van de vijf hiervoor genoemde aanwijzingen heeft zich in het geval belanghebbende voorgedaan. B/T heeft de KOT vastgesteld aan de hand van de gegevens die door belanghebbende en zijn toeslagpartner waren opgegeven, te weten het aantal opvanguren en de kosten daarvan per uur. Tevens heeft B/T gebruik gemaakt van het haar van belanghebbende en zijn toeslagpartner bekende gezamenlijk inkomen. Het voorschot KOT is aldus steeds opnieuw berekend aan de hand van gegevens die belanghebbende heeft verstrekt. Nu de neerwaartse wijziging plaatsvond op grond van het gezamenlijk jaarinkomen zoals dat bij B/T bekend was, behoefde B/T niet aan de juistheid van de gegevens te twijfelen en hoefde zij belanghebbende niet om een bevestiging van deze gegevens door derden te verzoeken. Bijstellingen als de onderhavige geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat hij met betrekking tot het toeslagjaar 2017 vooringenomen is behandeld. Allereerst stelt belanghebbende dat hij de KOT op 1 november 2018 niet heeft stopgezet. Verder heeft B/T heeft, aldus belanghebbende, voordat zij een definitieve beschikking nam met betrekking tot de KOT van het jaar 2017 geen jaaroverzicht kinderopvang bij belanghebbende opgevraagd en geen rekening gehouden met de informatie die de KOI aan B/T had verstrekt. Ook zou de KOT niet juist zijn vastgesteld, hetgeen volgens belanghebbende eveneens tot compensatie dient te leiden.
Op 28 december 2017 heeft B/T aan belanghebbende een voorschot kinderopvangtoeslag 2018 toegekend van € 7.818. Dit voorschot is, naar aanleiding van een verhoging van het aantal uren kinderopvang tweemaal opwaarts gewijzigd, te weten op 22 januari 2018 naar € 8.226 en op 21 april 2018 naar € 9.732. Op 21 november 2018 is er wederom een herziene beschikking afgegeven en het voorschot kinderopvangtoeslag verlaagd naar € 8.032. Uit de melding die als productie 19 bij het bezwaardossier is gevoegd en het XML-bestand dat UHT belanghebbende na de hoorzitting heeft verstrekt, leidt de Commissie af dat belanghebbende de KOT op 1 november 2018 heeft stopgezet. Deze stopzetting correspondeert met de informatie die de KOI aan B/T heeft verstrekt en die eveneens door UHT na de hoorzitting aan belanghebbende ter beschikking is gesteld.
Uit het overzicht getiteld ‘Info KOO 2018’ blijkt dat de kinderopvang voor het kind van belanghebbende in 2018 achtereenvolgens is afgenomen door belanghebbende en zijn ex-toeslagpartner. De opvang is tot 8 november 2018 afgenomen door belanghebbende. Het overige deel van 2018 heeft de ex-toeslagpartner de kinderopvang afgenomen. Dit correspondeert weliswaar met de informatie van belanghebbende dat zijn kind het heel 2018 kinderopvang heeft genoten, maar brengt met zich mee dat hij niet langer in aanmerking voor KOT vanaf het moment dat zijn ex-toeslagpartner de KOT afnam. Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk en juist dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet. Aldus heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Omdat de bestreden beslissing in stand kan blijven, heeft belanghebbende geen recht op een proceskostenvergoeding. De Commissie adviseert het desbetreffende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter