Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15478

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 november 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 5 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 31 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 november 2023 (UHT-DCH). Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.673,- voor de jaren 2012 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij besluit van 6 oktober 2023 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 augustus 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de maanden maart en april van toeslagjaar 2012.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 25.673,- voor de jaren 2012 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 november 2023, ingekomen op 28 november 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2025, ingekomen op 8 januari 2025, het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 6 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 5 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2012 tot en met 2014 op de juiste wijze heeft berekend. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken is tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.

Maart en april 2012

Dat de verlagingen van de KOT voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2014 als vooringenomen handelen van de B/T moeten worden beschouwd, staat niet ter discussie.

Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T.

Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Voor de periode maart 2012 tot en met april 2012 bestond geen recht op KOT, aldus UHT, omdat de toeslagpartner van belanghebbende destijds niet als ‘doelgroeper’ als bedoeld in artikel 1.6 van de Wet kinderopvang (hierna: Wko)(destijds heette deze wet de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen) kon worden aangemerkt. De opleiding tot rijinstructeur gold destijds niet als opleiding bedoeld in art. 1.6 lid 1 onder j Wko en als gevolg hiervan had belanghebbende gedurende deze maanden geen recht op KOT. In uitzonderlijke situaties kan sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt door deze uitdrukkelijk in de wet opgenomen hoofdregel voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Discriminatie

In haar bezwaar stelt belanghebbende dat zij het slachtoffer is geweest van discriminatie.

De Wht is alleen bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie met betrekking tot KOT. Het vooringenomen handelen in de herbeoordeelde toeslagjaren is mogelijk het gevolg van discriminatie, maar dit valt niet met enige zekerheid vast te stellen. Een beoordeling hiervan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Tijdens de hoorzitting is het onderwerp besproken en UHT is zich ervan bewust dat discriminatie in de toeslagenaffaire een rol heeft gespeeld en dat dit mogelijk ook het geval is geweest bij belanghebbende. Als dit klopt, is het zeer pijnlijk en betreurenswaardig. Maar dergelijk (moreel verwijtbaar) gedrag heeft geen invloed op de mogelijkheid van compensatie op grond van de Wht.

Standaardvergoedingen

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de toekenning van een vaste (“forfaitaire”) vergoeding voor materiële en/of immateriële schade niet voldoende is om haar schadeloos te stellen.

De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie ziet in de stellingen van belanghebbende geen reden om te oordelen dat het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als dit buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de werkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien.

Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de CWS. Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.

Proceskostenvergoeding

Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter