Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16834

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 23 januari 2026 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 7 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 7 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2009 tot en met 2012. Na overleg tussen belanghebbende en UHT zijn de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 september 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is op de toeslagjaren 2006 tot en met 2011.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 7 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2024 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 15 april 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 januari 2026 het bezwaar nader aangevuld.
  • Op 23 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van het bezwaar en de bestreden beschikking

Procedurele bezwaren

Inzage onderliggende dossier

Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.

De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 30 oktober 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting. Ten overvloede merkt de Commissie op dat ter zitting aan de orde is gekomen dat de in het ouderdossier aanwezige LIC-overzichten voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 onvolledig zijn. UHT heeft in dat verband toegezegd de volledige LIC-overzichten over deze jaren uiterlijk bij de beslissing op bezwaar aan belanghebbende te zullen verstrekken.

Beoordeling toeslagjaren 2006 tot en met 2011

De Commissie ziet zich, mede gelet op de nadere precisering van het bezwaar ter zitting, inhoudende dat de toeslagjaren 2006, 2007, 2009 en 2010 niet langer in geschil zijn, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2008 en 2011, af te wijzen.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van B/T.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2008

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie. Zij stelt in bezwaar dat de nihilstelling voor het toeslagjaar 2008 duidt op vooringenomenheid. Subsidiair stelt belanghebbende in aanmerking te komen voor compensatie op grond van hardheid.

De Commissie stelt op grond van het dossier vast dat de KOT voor het toeslagjaar 2007 door of namens belanghebbende op 24 september 2007 voor het kind [naam] met ingang van 1 december 2007 is stopgezet. De KOT voor het toeslagjaar 2008 is vervolgens initieel automatisch gecontinueerd voor het kind [naam], maar bij voorschotbeschikking van 18 februari 2008 op nihil gesteld. Nu de achtergrond en reden van deze stopzetting niet (meer) herleidbaar is, dient de nihilstelling te worden aangemerkt als vooringenomen handelen. Artikel 2.1, lid 1, van de Wht vereist echter dat voor compensatie in aanmerking komt degene die als aanvrager schade heeft geleden. Naar de opvatting van de Commissie is daarvan in dit geval geen sprake. De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden waaruit aannemelijk wordt dat belanghebbende in de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008 gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De ter zitting getoonde foto biedt daarvoor onvoldoende steun. De Commissie weegt daarnaast mee dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de nihilstelling. Voorts is namens belanghebbende op 17 juni 2008 opnieuw een aanvraag voor KOT ingediend met ingang van 1 juli 2008. Op basis van deze aanvraag is de KOT overeenkomstig toegekend tot en met 31 december 2008. Deze opvangperiode komt overeen met de door de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) doorgegeven opvanggegevens via de KOI-viewer.

Gelet op het voorgaande acht de Commissie niet aannemelijk geworden dat belanghebbende door de nihilstelling materiële of immateriële schade heeft geleden. Aangezien niet is voldaan aan het schadevereiste van artikel 2.1, lid 1, van de Wht bestaat geen aanspraak op compensatie op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2008. Evenmin kan belanghebbende aanspraak maken op compensatie op grond van hardheid. Wat betreft een beroep op de zogenoemde KOT naar KOI-regeling verwijst de Commissie naar de schriftelijke beschouwing én de mondelinge toelichting van UHT ter zitting. De Commissie is van opvatting dat UHT voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze regeling geen toepassing kan vinden. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2011

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie. Zij betwist de KOT voor het toeslagjaar 2011 zelf te hebben stopgezet. Subsidiair stelt belanghebbende in aanmerking te komen voor compensatie op grond van hardheid.

De Commissie overweegt als volgt. Op 24 december 2010 is de KOT met ingang van 1 januari 2011 stopgezet. Uit het XML-bestand volgt dat het BSN van belanghebbende is gebruikt bij het doorgeven van de stopzetting. Bovendien bevat het XML-bestand geen username van een ambtenaar, hetgeen volgens UHT wel het geval is als een ambtenaar een digitale wijziging doorvoert. De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat belanghebbende zelf de stopzetting heeft doorgegeven. Daarbij neemt de Commissie in aanmerking dat uit de stukken niet blijkt dat in het toeslagjaar 2011 geregistreerde kinderopvang is afgenomen en dat tegen de nihilbeschikking over dat jaar geen bezwaar is ingediend.

De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden dat in het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze of nalaten door B/T jegens belanghebbende. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor hardheid als bedoeld in de Wht. Ook een beroep op de KOT naar KOI-regeling kan niet slagen, zoals reeds schriftelijk en mondeling toegelicht door UHT. Er was ook geen onterechte O/GS-kwalificatie, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Advies CvW

Belanghebbende stelt dat de CvW ten onrechte haar oordeel heeft gegeven, voordat zij kennis had genomen van de inhoud van de zienswijze van belanghebbende.

Belanghebbende heeft evenwel de gelegenheid gekregen en benut om haar zienswijze in de onderhavige bezwaarprocedure opnieuw onder de aandacht te brengen en nader te onderbouwen. Gemachtigde heeft dit ter zitting ook erkend en heeft verklaard dat hiermee het gebrek geacht wordt te zijn hersteld. De Commissie is van opvatting dat belanghebbende door deze gang van zaken niet in haar processuele belangen is geschaad. De Commissie adviseert UHT daarom dat deze bezwaargrond niet kan leiden tot gegrondverklaring van het bezwaar.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 7 november 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter

1 Rechtbank Amsterdam 10 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1937.