Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12553

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 februari 2023 (UHT-DCHA) (hierna: de bestreden beschikking)

Hoorzitting: 28 november 2025 om 14:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 8 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2008 tot en met 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 juli 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. In overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met de jaren 2008 tot en met 2011.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 2.1., eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2012.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 9 maart 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift vervolgens aangevuld.
  • UHT heeft op 24 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 28 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2008 en 2009 en 2011

Belanghebbende betoogt dat de omstandigheid dat zij opgenomen was op de Fraude Signalering Voorziening lijst (hierna: FSV lijst) zou moeten leiden tot compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel hardheid in de toepassing van het wettelijk stelsel.

De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat de neerwaartse bijstellingen van de KOT voor de toeslagjaren 2008 en 2009 hebben plaatsgevonden naar aanleiding van wijzigingen in het uurtarief, het aantal opvanguren en de hoogte van het gezamenlijke toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2011 vond een neerwaartse bijstelling plaats naar aanleiding van de door belanghebbende verstrekte jaaropgave. Niet aannemelijk is geworden dat vermelding van belanghebbende op de FSV lijst in haar geval heeft geleid tot extra onderzoek en dat de neerwaartse correcties verband houden met enig fraudeonderzoek. In dit verband merkt de Commissie op dat UHT tijdens de hoorzitting heeft toegelicht dat, anders dan belanghebbende betoogt, de vermelding in de tijdlijn “burger ontvangt inkomsten uit werk” geen verband houdt met de vermelding op de FSV lijst, maar slechts is opgenomen wegens een conversie van gegevens van de RKT-bestanden naar het online TVS-systeem van de Belastingdienst. De Commissie acht dit niet onaannemelijk.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hiervoor uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken. Er was ook geen sprake van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2010

Belanghebbende betoogt dat UHT voor toeslagjaar 2010 in het ontbreken van een definitieve beschikking tot vaststelling van de KOT ten onrechte geen reden heeft gezien om recht op compensatie aan te nemen op grond van vooringenomen handelen door B/T.

De Commissie overweegt dat het ontbreken van een definitieve KOT beschikking op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat B/T tegenover belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld. Niet is gebleken van omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andersluidende conclusie. In dit geval is van belang dat blijkens de stukken voor het toeslagjaar 2010 geen neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden, dat de voorschotten tijdig aan belanghebbende zijn uitbetaald en dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de hoogte van de voorschotbeschikking. Evenmin bestaan er aanwijzingen dat de vermelding van belanghebbende op de FSV lijst heeft geleid tot extra onderzoek in het desbetreffende toeslagjaar. De Commissie volgt UHT daarom in haar standpunt dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie deelt eveneens het standpunt van UHT dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan recht bestaat op compensatie op grond van hardheid. Er was ook geen onterechte O/GS kwalificatie, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt eveneens ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie voor toeslagjaar 2012

UHT heeft ten aanzien van toeslagjaar 2012 gesteld dat weliswaar sprake is geweest van vooringenomenheid, maar dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie omdat in deze periode evident geen recht op KOT bestond. Daarbij wijst UHT op de jaaropgave uit 2011 en gegevens uit de KOI viewer, waaruit zou blijken dat slechts opvang is afgenomen tot en met juli 2011. Belanghebbende betwist dat in 2012 geen opvang is genoten. Zij wijst daarbij op de door haar op 10 augustus 2012 naar B/T gestuurde brief waarin zij heeft aangegeven KOT tijdelijk te willen stopzetten in verband met de gezondheid van haar dochtertje, dat daardoor niet naar de buitenschoolse opvang (hierna: BSO) kon.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem/haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2 van de Wht. De Commissie overweegt, in lijn met eerdere adviezen (bijvoorbeeld BAC 2023-12526 en BAC 2023-14995), dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.

De Commissie is van opvatting dat UHT er niet in is geslaagd om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en overweegt daartoe als volgt. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor toeslagjaar 2012 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom geconcludeerd moet worden dat “evident geen recht” op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is het de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. De Commissie hecht in dit verband waarde aan het feit dat belanghebbende tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat zij het gehele jaar 2011 en in 2012 tot en met de maand juli vijf dagen per week werkte in het onderwijs en dat haar dochter in juli 2011 vier jaar is geworden en vanaf augustus 2011 naar school en naar de BSO ging. Met betrekking tot toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende verklaard dat haar dochter vanaf augustus 2012 een diagnostisch traject inging en niet meer naar de BSO kon. Belanghebbende is toen gestopt met werken om voor haar dochter te zorgen.

Daarom heeft zij bij brief van 10 augustus 2012 de KOT stopgezet. Gelet op deze verklaringen acht de Commissie aannemelijk dat de jaaropgave van de kinderopvanginstelling van 2011, waarop UHT zich heeft gebaseerd, uitsluitend ziet op de tot en met juli 2011 genoten dagopvang en geen bewijs inhoudt dat na die tijd geen (buitenschoolse) opvang meer heeft plaatsgevonden. De Commissie acht ook aannemelijk dat de brief van 10 augustus 2012, waarbij belanghebbende de KOT heeft stopgezet, ziet op toeslagjaar 2012 en niet op toeslagjaar 2011, zoals UHT heeft gesteld. De Commissie is daarom van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet is geslaagd in het bewijs dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid”, als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1, van de Wht, toepasselijk is.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2012 (periode 1 januari 2012 tot en met 31 juli 2012) op grond van vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende betoogt in algemene zin dat UHT bij de bestreden beschikking heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat daarmee tevens vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij de beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Nu de Commissie het bezwaar tegen de bestreden beschikking gegrond acht en adviseert om het besluit te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van het bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 7 februari 2023 met kenmerk UHT-DCHA gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de periode 1 januari 2012 tot en met 31 juli 2012 en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
  • de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in zoverre in stand te laten;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter