BAC 2025-15822
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 april 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 27 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 10 december 2025
Samenvatting
De Commissie adviseert om het bezwaar tegen de bestreden beschikking gegrond te verklaren en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de voormalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is medegedeeld dat zij op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 oktober 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2015 tot en met 2017.
Nadien is dit verzoek in overleg met belanghebbende uitgebreid met de jaren 2018 en 2019. - UHT heeft bij beschikking van 25 maart 2022 aan belanghebbende mede-gedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 april 2024 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2015 tot en met 2019.
- De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 10 juni 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 10 februari 2025 het bezwaar-schrift aangevuld.
- UHT heeft op 1 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd. Belanghebbende werd op de zitting bijgestaan door mr. A.G.P. van der Baan als (nieuwe) gemachtigde (hierna: gemachtigde).
- Op dezelfde dag heeft gemachtigde een aanvullende productie gemaild naar zowel de Commissie als UHT.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal hieronder de door belanghebbende ingediende bezwaren tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA bespreken, met uitzondering van het bewaar dat ziet op de herbeoordeling van de opvanguren en de hoogte van de KOT, welk bezwaar ter gelegenheid van de hoorzitting is ingetrokken.
Motiverings- en formele zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Voor zover het bestreden besluit in algemene zin onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie dat gebrek herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Toeslagjaren 2015 tot en met 2019
Belanghebbende voert aan dat haar ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2015 tot en met 2019. Volgens haar heeft de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) de opvanguren waarover KOT werd betaald aangepast zonder hierover contact met haar op te nemen, waardoor zij werd geconfronteerd met aanzienlijke terugbetalingsverplichtingen. Daarmee, zo stelt zij, heeft B/T ook meer specifiek ten aanzien van deze aanpassingen gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het beginsel van hoor- en wederhoor en het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
2015
In 2015 hebben twee neerwaartse correcties plaatsgevonden, beide als gevolg van wijzigingen in het toetsingsinkomen. Op 11 november 2016 is de KOT verlaagd van € 3.625 naar € 3.584 na vaststelling van het toetsingsinkomen door de belasting-inspecteur. Vervolgens is op 5 mei 2018 een tweede bijstelling doorgevoerd, waarbij de KOT opnieuw werd verlaagd, ditmaal van € 3.584 naar € 3.499, eveneens naar aanleiding van een wijziging in het toetsingsinkomen.
2016
In 2016 is één neerwaartse correctie toegepast. Op 8 september 2017 is de KOT verlaagd van € 11.351 naar € 10.852, op basis van het door de belastinginspecteur vastgestelde toetsingsinkomen.
2017
In 2017 zijn meerdere neerwaartse aanpassingen gedaan. Op 21 maart 2017 is de KOT verlaagd van € 11.983 naar € 11.830 vanwege een door de belanghebbende doorgevoerde wijziging in het toetsingsinkomen. Vervolgens is de KOT op 21 juni 2017 opnieuw verlaagd, van € 11.830 naar € 11.626, eveneens door een wijziging in het toetsingsinkomen inkomen. Op 21 juli 2017 heeft nog een verlaging plaatsgevonden, van € 11.626 naar € 10.747, opnieuw op basis van een door belanghebbende doorgegeven wijziging in het toetsingsinkomen. Tot slot is op
21 augustus 2017 een laatste correctie doorgevoerd, waarbij de KOT is verlaagd van € 10.747 naar € 9.260 vanwege een wijziging in het aantal opvanguren.
2018
In 2018 heeft één neerwaartse bijstelling plaatsgevonden. Op 12 april 2019 is de KOT verlaagd van € 12.706 naar € 12.519 omdat belanghebbende gewijzigde opvanggegevens heeft doorgegeven.
2019
Ook in 2019 is één neerwaartse correctie toegepast. Op 21 maart 2019 is de KOT verlaagd van € 22.065 naar € 18.091 naar aanleiding van door belanghebbende doorgevoerde wijzigingen in de opvanggegevens.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld. De terugvorderingen KOT over deze toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd.
Verder blijkt uit het dossier niet dat B/T bij de verwerking van de gegevens of de daarop gebaseerde aanpassingen van de KOT in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De doorgevoerde wijzigingen zijn steeds gebaseerd op door belanghebbende zelf verstrekte informatie of op door de belastinginspecteur vastgestelde inkomensgegevens. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook niet gebleken.
Hardheid/O-GS
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende voor de toeslagjaren 2015 en 2016 anders over te oordelen.
Dit is echter anders voor de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende verklaard dat er vanaf 2017 hoge terugbetalingsverplichtingen zijn ontstaan en dat zij vanaf dat moment in de problemen is gekomen. Uit de door belanghebbende overlegde brief van 13 november 2017 blijkt dat belanghebbende toen aan B/T heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. B/T heeft dat verzoek afgewezen. Vaststaat dat er geen O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een compensatie ter grootte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk was aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een compensatie te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een hardheidscompensatie ter grootte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht moet toekennen voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 . De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Ten overvloede wijst de commissie erop dat belanghebbende in aanmerking komt voor de vergoeding op grond van de zogenoemde ‘Catshuisregeling’.
Vergoeding werkelijke schade
Belanghebbende stelt dat zij door de handelswijze van B/T materiële en immateriële schade heeft geleden en aanspraak maakt op vergoeding daarvan. Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld in Home | Schadeherstel Toeslagen.
Proceskostenvergoeding
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om wel proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCHOA deels gegrond te verklaren en opnieuw te beslissen in die zin dat compensatie wordt toegekend op grond van de hardheidsregeling voor de toeslagjaren 2017, 2018 en 2019 ter grootte van de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen voor deze bezwaarprocedure;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter