BAC 2025-15507
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 5 augustus 2022 (UHT- DC I, UHT- DC I A en UHT- DH5 A)
Overdracht advies aan UHT: 9 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 22 november 2023 is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 5 augustus 2022 (UHT- DC I).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.784 voor toeslagjaar 2008.
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) bestemd.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- UHT heeft bij vooraankondiging van 14 april 2022 (UHT- VC I) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.749 voor toeslagjaar 2008.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 5 augustus 2022 (UHT-DC I) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.784 voor toeslagjaar 2008.
- UHT heeft bij de besluiten van 5 augustus 2022 (UHT- DC I A en UHT- DH5 A) aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, 2009 tot en met 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 november 2023 tegen het besluit van
5 augustus 2022 met kenmerk UHT-DC I een bezwaarschrift ingediend. - UHT heeft op 4 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 15 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 23 oktober 2025 heeft gemachtigde bericht af te zien van de hoorzitting van 9 december 2025 en verzocht om een extra schriftelijke ronde in te lassen.
De Commissie heeft gemachtigde tot 27 november 2025 de tijd gegeven om eventueel aanvullende gronden in te dienen. Van deze gelegenheid heeft gemachtigde geen gebruik gemaakt. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Persoonlijke dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat gemachtigde stelt dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie zou kunnen ontbreken, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Motivering van de beschikking
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT. Voor zover UHT de bestreden beschikkingen bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met het indienen van de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.
Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikkingen
Gemachtigde stelt dat er sprake is van vooringenomen handelen omdat de definitieve KOT-beschikkingen, als ze al genomen zijn, steeds buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop, recht op compensatie.
De Commissie ziet in die omstandigheid op zichzelf bezien onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke wettelijke kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Omliggende jaren
Belanghebbende stelt dat hij ook voor de omliggende jaren recht op compensatie heeft omdat hij in deze jaren de gevolgen heeft gevoeld van de vooringenomenheid door de terugvorderingen/verrekeningen zoals uitgevoerd door B/T.
De Commissie is van mening dat de enkele verrekening van op zichzelf terechte terugvorderingen in beginsel geen hardheid als bedoeld in de Wht oplevert.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan namelijk niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad.
Voor zover belanghebbende stelt dat hij als gevolg van onterechte stopzettingen of terugvorderingen aanvullende schade heeft geleden, kan hij een aanvulling om vergoeding van deze schade vragen (onder andere bij de CWS).
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
Nu er geen grond is om compensatie of tegemoetkoming aan belanghebbende toe te kennen, is de Commissie van oordeel dat de overige onderdelen van het bezwaar, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter