BAC 2023-13657
Publicatiedatum 29-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 mei 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 29 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 31 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 31 mei 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011, 2012, 2017 en 2018.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 september 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011, 2012, 2017 en 2018.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij beschikking van 31 mei 2023 (hierna: het bestreden besluit) aan belanghebbende medegedeeld zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011, 2012, 2017 en 2018.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 juli 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 3 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 september 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft voorts bij brief van 23 oktober 2025 laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde heeft verzocht om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen.
- De Commissie heeft in een e-mailbericht van 27 oktober 2025 aan partijen laten weten dat de hoorzitting doorgang zal vinden.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 oktober 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 29 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie verzocht, op 4 november 2025 een tweetal stukken overgelegd die aan het bezwaardossier zijn toegevoegd.
- De Commissie heeft vervolgens in een e-mailbericht van 6 november 2025 aan gemachtigde verzocht om enkele vragen te beantwoorden. Tevens zijn met dat bericht het verslag van de hoorzitting en de hiervoor genoemde door UHT nagezonden producties aan gemachtigde toegezonden.
- Gemachtigde heeft de vragen van de Commissie beantwoord in een e-mailbericht van 28 november 2025. UHT heeft daarop op 9 december 2025 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt om haar (volledige) persoonlijk dossier.
De Commissie overweegt dat de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken op 28 mei 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat zou anders kunnen zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier of ouderdossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door deze gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaren kunnen daarom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. Dit betekent dat de Commissie UHT adviseert om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ouderverhaal ontbreekt
Belanghebbende heeft aangevoerd (i) dat uit het dossier niet blijkt wat zich destijds heeft afgespeeld en (ii) dat de persoonlijk zaakbehandelaar heeft nagelaten het relaas van belanghebbende in kaart te brengen.
De Commissie stelt vast dat in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 17 e.v. bezwaardossier) een verslag is opgenomen van het gesprek dat plaatsvond tussen belanghebbende en de persoonlijk zaakbehandelaar. In dat verslag is het persoonlijk relaas van belanghebbende afdoende is vastgelegd. Dit onderdeel van bezwaar kan daarom niet slagen.
Beslistermijn aanvraag KOT
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.
De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt. Zij laat het daarom verder onbesproken.
Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen
Gemachtigde heeft aangevoerd dat UHT zijn beoordeling niet alleen dient te beperken tot neerwaartse bijstellingen en nihilstellingen. UHT dient volgens haar ook te beoordelen of de KOT over enig toeslagjaar juist is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht geen herziening beoogt van onherroepelijke beschikkingen waarbij de KOT is vastgesteld. De regeling in de Wht heeft niet als doel dat alsnog (een hoger bedrag aan) KOT wordt uitgekeerd, maar is gericht op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij.
Dit onderdeel van het bezwaar treft dan ook geen doel.
Geen vooraankondiging, geen zienswijze
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat dit niet de aangewezen gang van zaken is. Echter, belanghebbende heeft in het kader van deze bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Voor zover er sprake is geweest van een tekortkoming is die daarmee hersteld.
Afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de betrokken jaren af te wijzen.
De Commissie stelt voorop dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan, samengevat, dat sprake is van vooringenomen handelen, subsidiair van hardheid en dat zij om die reden gecompenseerd moet worden. Zij geeft verder aan dat zij opvang heeft afgenomen bij kinderopvanginstelling [naam], dat zij werkte in 2011 en geen partner had zodat het aannemelijk is dat zij opvang afnam. Van ‘evident geen recht’ is daarom geen sprake, aldus belanghebbende.
UHT heeft dat standpunt gemotiveerd weersproken.
De Commissie overweegt het navolgende.
Uit de voorhanden stukken is niet gebleken dat belanghebbende gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten (jaaropgaven, facturen etc.) beschikbaar, waaruit het tegendeel blijkt. De enkele, niet met stukken onderbouwde stelling van belanghebbende dat zij werkte en opvang nodig had, is niet voldoende. De Wet Kinderopvang (Wko) vereist dat om in aanmerking te komen voor kinderopvangtoeslag gekwalificeerde opvang moet zijn afgenomen waarvoor kosten zijn gemaakt (artikel 1.5, eerste lid Wko). Belanghebbende voldeed niet aan die voorwaarde.
Uit de voorhanden stukken blijkt dat kinderopvanginstelling [naam] waarop belanghebbende doelt en waarvan zij stelt dat zij haar kind daar naar de opvang bracht, is gevestigd te Hengelo (pagina 78 bezwaardossier). Belanghebbende bevestigt dat in haar reactie op de vragen van de Commissie.
Uitgaande van het woonadres van belanghebbende in 2011 na de geboorte van haar kind, zijnde in Spijkenisse (waarvan UHT bij haar aanvullende beschouwing bewijsstukken heeft overgelegd in de vorm van gegevens uit de basisregistratie personen), meent de Commissie dat het niet aannemelijk is dat belanghebbende opvang heeft afgenomen bij [naam] in Hengelo. De verwijzing van belanghebbende naar het bij haar schriftelijke reactie gevoegde uittreksel uit de kamer van koophandel waaruit niet meer kan worden herleid dan dat [naam] onderdeel is van [naam] levert geen andere inzichten op. [naam] is immers slechts de vennootschap waarvan [naam] volgens het handelsregister kennelijk deel uit maakt. Uit dat uittreksel blijkt niet dat de kinderopvanginstelling [naam] niet in Hengelo gevestigd is.
Van belang is ook dat de aanvraag voor KOT over het jaar 2011 is gedaan door belanghebbende, althans op naam van belanghebbende. De KOT is blijkens het LIC-overzicht 2011 (pagina 97 bezwaardossier) uitbetaald op een bankrekening met nummer eindigend op “033”. Desgevraagd heeft UHT een bewijsstuk overgelegd, waaruit volgt dat de bankrekening met dat nummer op naam van belanghebbende staat/stond.
Ten overvloede overweegt de Commissie dat belanghebbende ook niet gevolgd kan worden in haar stelling dat zij opvang nodig had omdat zij werkte in 2011. Uit het zogenoemde FLG-overzicht over het jaar 2011 (pagina 343 bezwaardossier) blijkt immers niet dat belanghebbende over de gehele periode dat zij in 2011 KOT ontving, heeft gewerkt. In het desbetreffende overzicht is voor de periode augustus tot en met december 2011 weliswaar vermeld “Gemeente Spijkenisse” resp. “Gemeente Smallingerland”, maar uit de voorhanden gegevens blijkt niet dat die gemeenten haar werkgever zijn geweest. Al met moet uit de voorhanden gegevens worden geconcludeerd dat belanghebbende destijds niet voldeed aan de voorwaarden voor “doelgroepschap”.
Kortom, er is sprake van ‘evident geen recht’ op KOT om welke reden belanghebbende geen recht op compensatie heeft wegens vooringenomen handelen.
De Commissie heeft evenmin concrete aanknopingspunten gevonden van bijzondere omstandigheden die duiden op hardheid van het stelsel. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.
Toeslagjaar 2012
Belanghebbende voert ten aanzien van toeslagjaar 2012 aan, kort gezegd, dat zij opvang heeft afgenomen tot aan het moment van haar vertrek naar Curaçao (11 september 2012).
De Commissie overweegt allereerst dat namens belanghebbende geen antwoord is gegeven op de door de Commissie gestelde vraag waar belanghebbende in 2012 opvang heeft afgenomen. Uit de voorhanden stukken is, net als hiervoor ten aanzien van toeslagjaar 2011 is vastgesteld, niet gebleken dat belanghebbende gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Daarvoor zijn geen concrete aanknopingspunten (jaaropgaven, facturen etc.) beschikbaar. In hoeverre uit het FLG-overzicht 2012 (pagina 345 bezwaardossier) al dan niet kan worden geconcludeerd of belanghebbende gewerkt heeft, dan wel “doelgroeper” was, kan om die reden in het midden blijven. Kortom, er is sprake van ‘evident geen recht’ op KOT om welke reden belanghebbende geen recht op compensatie heeft wegens vooringenomen handelen.
De Commissie heeft evenmin concrete aanknopingspunten gevonden voor bijzondere omstandigheden die duiden op hardheid van het stelsel. Dit onderdeel van het bezwaar kan daarom niet slagen.
Toeslagjaar 2017
Belanghebbende voert aan dat de KOT die was toegekend door B/T is verrekend met een andere schuld.
De Commissie overweegt dat B/T op grond van artikel 30 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bevoegd is om toeslag (terug)vorderingen met elkaar te verrekenen. Daarbij is niet van belang om welke toeslag (inkomensafhankelijke regeling) het gaat en om welk berekeningsjaar. Dit onderdeel van het bezwaar kan al hierom niet slagen.
Toeslagjaar 2018
Belanghebbende voert aan dat zij de KOT over 2018 niet heeft stopgezet. Verder voert zij aan dat zij door het handelen van B/T in problemen is geraakt.
De Commissie kan belanghebbende hierin niet volgen.
Uit de voorhanden zijnde stukken volgt dat de KOT is stopgezet met ingang van 5 februari 2008 (pagina 365 bezwaardossier). De Commissie heeft geen concrete aanknopingspunten gevonden voor de stelling dat niet belanghebbende maar iemand anders en wel zonder instemming van belanghebbende, de KOT zou hebben stopgezet.
Verder heeft UHT bij haar aanvullende beschouwing stukken in het geding gebracht , waaruit blijkt dat belanghebbende voor het jaar 2018 heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling en dat dit verzoek schriftelijk is ingewilligd (brief van 20 februari 2019). In die brief is tevens bevestigd dat door B/T geen verdere invorderingsmaatregelen zouden worden genomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan ook dit onderdeel van het bezwaar niet slagen.
Overige bezwaargronden
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Nu de Commissie niet adviseert het bestreden besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter