BAC 2023-12458
Publicatiedatum 29-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 18 juli 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 27 oktober 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 29 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift, zoals later aangevuld, is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor de jaren 2014 t/m 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 en 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 t/m 2015. In overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid met de jaren 2012, 2016 en 2017.
- UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 januari 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geconcludeerd dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2012 en 2013.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2012 en 2013 en wel recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 t/m 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 28 juli 2023, ingekomen op 13 maart 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2024, ingekomen op 6 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 27 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming ten aanzien van de jaren 2012 en 2013 af te wijzen en de juiste compensatie heeft verschaft voor de jaren 2014 t/m 2017.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover deze beschikking onvoldoende zou zijn gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie dit gebrek herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken − waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) − en de overige producties is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde motiveringsbeginsel.
De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Afgewezen toeslagjaren
Bij de bestreden beschikking heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2012 en 2013 geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (hierna: O/GS). Volgens belanghebbende is de compensatie over deze jaren ten onrechte afgewezen.
Uit het dossier maakt de Commissie op dat de eerste verlaging in het toeslagjaar 2012 is gebaseerd op een reguliere wijziging, namelijk de door belanghebbende doorgegeven stopzetting van de KOT ten aanzien van één van de kinderen. De B/T mocht uitgaan van de doorgegeven gegevens en de wijziging doorvoeren.
De tweede verlaging in het toeslagjaar 2012 vond plaats op basis van informatie uit de UWV-viewer. De vraag of de B/T in dit geval zonder nadere uitvraag bij belanghebbende mocht afgaan op de juistheid van die gegevens, kan onbeantwoord blijven. Ook als dit slechts in beginsel − dat wil zeggen: niet onder alle omstandigheden − het geval zou zijn, ligt het op de weg van belanghebbende om gegevens te verschaffen die in andere richting wijzen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Er zijn geen aanknopingspunten dat de B/T in dit geval niet mocht afgaan op de juistheid van de informatie uit de UWV-viewer.
De KOT over het toeslagjaar 2012 werd weliswaar rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) overgemaakt, maar er is niet minimaal €1.500 te veel aan KOT aan de KOI betaald.
Er bestaat daarom geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid. Er is voorts geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie over dit jaar.
De eerste verlaging in toeslagjaar 2013 is eveneens gebaseerd op een reguliere wijziging. Belanghebbende heeft namelijk een wijziging in het aantal opvanguren doorgegeven.
De tweede verlaging in toeslagjaar 2013 vond plaats op basis van informatie uit de UWV-viewer. De vraag of de B/T in dit geval zonder nadere uitvraag bij belanghebbende mocht afgaan op de juistheid van die gegevens, kan onbeantwoord blijven. Ook als dit slechts in beginsel − dat wil zeggen: niet onder alle omstandigheden − het geval zou zijn, ligt het op de weg van belanghebbende om gegevens te verschaffen die in andere richting wijzen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Hoewel de B/T na ontvangst van het bezwaarschrift van 11 juni 2015 de KOT bij besluit van 1 februari 2016 heeft verhoogd op basis van informatie uit de KOI-viewer, zijn er geen aanknopingspunten dat de B/T in dit geval niet mocht afgaan op de juistheid van de informatie uit de UWV-viewer.
De KOT over toeslagjaar 2013 werd eveneens rechtstreeks aan de KOI overgemaakt, maar ook hier is niet minimaal € 1.500 te veel aan KOT aan de KOI betaald.
Er bestaat daarom geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen of hardheid. Er is voorts geen sprake van een onterechte O/GS-kwalificatie over dit jaar.
De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T tegenover belanghebbende over de toeslagjaren 2014 t/m 2017 vooringenomen heeft gehandeld. UHT heeft aan de hand van een compensatieberekening een forfaitair compensatiebedrag van in totaal € 82.401 uitbetaald. In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT ambtshalve de compensatieberekening getoetst en geconcludeerd dat bij de berekening van diverse onderdelen voor de toeslagjaren 2014 t/m 2017 fouten zijn gemaakt. Het betreft de volgende componenten:
- o) rente gemiste KOT;
- n) immateriële schadevergoeding;
- p) aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal.
UHT heeft meegedeeld de bedragen conform haar schriftelijke reactie van 17 maart 2025 te zullen aanpassen bij de beslissing op bezwaar. De Commissie komt niet tot een ander oordeel, acht de berekening van UHT juist en zal in lijn hiermee adviseren. De Commissie adviseert UHT om de bestreden beschikking op dit punt te herroepen, de toezeggingen bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en aan belanghebbende een nieuwe berekening te verstrekken.
De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel gegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie gedeeltelijk gegrond is, adviseert zij UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van een bezwaarschrift en bijwonen van de hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar deels gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen;
- de vergoeding voor immateriële schade (component n) te berekenen tot de datum van de beslissing op bezwaar;
- de rentevergoeding voor gemiste KOT (component o) opnieuw te berekenen met inachtneming van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen;
- de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal (component p) van het compensatiebedrag aan te passen;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen op basis van twee procespunten. De Commissie adviseert daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter