BAC 2025-15285
Publicatiedatum 29-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 oktober 2023 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 15 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 24 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, alsnog een compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor de periode juni tot en met december 2011, alsnog een O/GS tegemoetkoming toe te kennen voor toeslagjaar 2014 en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door voormalige gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.
Huidige gemachtigde staat belanghebbende als opvolgend gemachtigde nu bij.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €28.433,- voor het jaar 2009, de maanden januari tot en met mei 2011 en januari tot en met maart 2012. Voor de maanden juni tot en met december 2011 en april tot en met december 2012 heeft belanghebbende een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) tegemoetkoming van €2.285,-ontvangen. Voor het jaar 2010, de maanden juni tot en met december 2011, april tot en met december 2012 en de jaren 2013 tot en met 2015 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011, 2012, 2014 en 2015. UHT
- heeft de jaren 2009, 2011 en 2012 tot en met 2015 herbeoordeeld.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 16 juni 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden augustus en september 2009, de jaren 2010 en 2011, de maanden april tot en met december 2012 en de jaren 2013 tot en met 2015, de O/GS-tegemoetkoming niet van toepassing is voor de jaren 2014 en 2015 en er geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie berekend van €21.697,-.
- Gemachtigde heeft op 27 juni 2023 een zienswijze ingediend.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €28.433,- voor de jaren 2009, januari tot en met mei 2011 en januari tot en met maart 2012. Voor de maanden juni tot en met december 2011 en april tot en met december 2012 is aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van €2.285,-. Voor de maanden april tot en met december 2012, 2013 tot en met 2015 is geen compensatie toegekend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 november 2023, ingekomen op dezelfde dag, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 16 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Belanghebbende heeft bij e-mail van 24 september 2025 aan de Commissie medegedeeld dat zij nu wordt bijgestaan door huidige gemachtigde.
- Op 25 september 2025 zijn het dossier, de beschouwing en de definitieve uitnodiging voor de hoorzitting aan de gemachtigde verzonden.
- Op 15 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 16 oktober 2025 nadere stukken ingediend. De Commissie heeft deze stukken op dezelfde dag met UHT gedeeld.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
- De Commissie acht zich voldoende ingelicht om tot advisering over te gaan en heeft dit op 5 december 2025 aan gemachtigde en UHT medegedeeld.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie staat voor de vraag of UHT de compensatie over de juiste perioden heeft vastgesteld en correct heeft berekend. Dit betreft de maanden januari tot en met juli 2009 en oktober tot en met december 2009. Ook gaat het om de maanden januari tot en met mei 2011 en januari tot en met maart 2012.
Daarnaast beoordeelt de Commissie of de O/GS-tegemoetkoming voor de maanden juni tot en met december 2011 en april tot en met december 2012 op de juiste wijze is berekend.
Ten slotte onderzoekt de Commissie of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010 en 2013 tot en met 2015 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt niet in staat te zijn om haar inhoudelijke bezwaren in volledigheid voor te leggen daar zij niet beschikt over de onderliggende dossierstukken.
Belanghebbende verzoekt ook om haar persoonlijk dossier.
De Commissie stelt vast dat de beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken op 25 september 2025 aan belanghebbende zijn toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Belanghebbende betoogt dat zij het niet eens is met de compensatieberekening en de wijze waarop de vergoeding voor immateriële schade is berekend.
UHT erkent dat de grondslag (component a) en de rente over gemiste KOT (component o) te hoog zijn vastgesteld. Dit wordt niet in het nadeel van belanghebbende aangepast in de beslissing op bezwaar. UHT stelt zich verder op het standpunt dat de immateriële schadevergoeding slechts wordt doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar indien het compensatiebedrag onjuist blijkt te zijn en belanghebbende een aanvullende vergoeding ontvangt. In deze zaak is daarvan geen sprake. Derhalve blijft de einddatum van de immateriële schadevergoeding vastgesteld op 11 oktober 2023.
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde vermeld geen opmerkingen meer te hebben over de compensatieberekening.
De Commissie overweegt dat voor de periode waarover de forfaitaire vergoeding is berekend, geldt dat deze overeenkomstig artikel 2.3 lid 4 Wht berekend dient te worden tot aan de definitieve compensatiebeschikking van 11 oktober 2023. UHT heeft bij het berekenen van de forfaitaire vergoeding dus de juiste einddatum gehanteerd.
Beoordeling evident geen recht op KOT
Op de hoorzitting heeft belanghebbende gemotiveerd toegelicht dat zij wel opvang heeft genoten in de periode augustus en september 2009, juni tot en met december 2011 en april tot en met december 2012.
UHT meent daarentegen dat sprake is van evident geen recht op KOT voor de maanden augustus en september 2009, juni tot en met december 2011, april tot en met december 2012 en de jaren 2013 tot en met 2015.
De maanden augustus en september 2009
In de aanvullende beschouwing van 14 november 2025 heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat zij het aannemelijk acht dat belanghebbende opvang heeft genoten in de periode januari tot en met juli 2009. Deze periode is reeds gecompenseerd.
Gelet op de stopzetting van de KOT op 28 mei 2009 per 1 augustus 2009 en de nieuwe aanvraag voor kinderopvanginstelling (hierna: KOI) [naam]per 1 oktober 2009 (productie 1209004 en 1209007) concludeert UHT dat de stopzetting en nieuwe aanvraag aansluiten bij de vakantieperiode van de opleiding van belanghebbende.
Daarom acht UHT het aannemelijk dat in de maanden augustus en september 2009 geen opvang is afgenomen en belanghebbende derhalve geen recht had op KOT.
In de compensatiebeschikking over de periode januari tot en met juli 2009 is belanghebbende echter wel gecompenseerd voor de maand september. Hierin is namelijk uitgegaan van de gehele terugvordering van €7.473,- naar €0,-.
Volgens UHT had dit echter €6.227,50,- moeten zijn. Belanghebbende heeft namelijk slechts voor 10 van de 12 maanden recht op een herstelregeling. Deze fout is in het voordeel van belanghebbende en zal niet worden gecorrigeerd door UHT.
Met betrekking tot de hardheidsbeoordeling concludeert UHT dat er weliswaar sprake is van een terugvordering of een verlaging van €1.500,- of meer, maar overweegt zij dat dit niet leidt tot enige tegemoetkoming aangezien de KOT is uitbetaald aan de KOI en er niet meer dan €1.500,- teveel uitbetaald is aan de KOI. In dit verband verwijst UHT naar de doorgegeven opvangkosten en daadwerkelijke opvangkosten (producties 1209002 en 1209007).
Er is volgens UHT wel sprake van een O/GS-kwalificatie over dit toeslagjaar (productie 1300001), waarvan niet is gebleken dat deze terecht was. Belanghebbende kon voor de gehele terugvordering geen betalingsregeling treffen. Ook dit kan, volgens UHT, belanghebbende niet baten, omdat belanghebbende voor deze terugvordering volledig is gecompenseerd. Zij heeft daarom geen recht op een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de aanvrager van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de periode augustus en september 2009 nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.
De Commissie stelt met betrekking tot toeslagjaar 2009 vast dat belanghebbende de KOT heeft stopgezet met ingang van 1 augustus 2009 (pagina 259 dossier). De XML van 25 september 2009 (p 1209006, pagina 263) vermeldt als datum van ingang KOT 15 september 2009.
De Commissie overweegt dat, hoewel de schoolvakantieperiode op zichzelf geen aanknopingspunt vormt om te concluderen dat in die periode geen gebruik is gemaakt van kinderopvang, er wél andere relevante aanwijzingen zijn die er op duiden dat er in de betreffende periode van 1 augustus tot medio september 2009 geen opvang is afgenomen.
De combinatie van de door belanghebbende doorgevoerde stopzetting, de daaropvolgende nieuwe aanvraag, het gespreksverslag oudergesprek (p 0300001, blz 63) waarin ook de verhuizing van belanghebbende is vermeld – te weten van [adres] naar [adres] – en de gegevens op de jaaropgave bieden voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat in de maand augustus 2009 geen opvang is afgenomen. Gelet op de expliciete aanvraag per 15 september 2009 acht de Commissie de evidentie over de maand september niet aannemelijk zodat over die maand wel terecht compensatie is berekend.
Gelet op het voorgaande komt belanghebbende voor de maand augustus 2009 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Nu de maand september al is gecompenseerd meent de Commissie dat dit terecht is. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De maanden juni tot en met december 2011
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij in het gehele toeslagjaar 2011 opvang heeft afgenomen, omdat zij dat jaar een opleiding volgde, en dat zij zowel voor- als naschoolse opvang gebruikte (productie 0900001, pagina 189).
Belanghebbende heeft verklaard dat zij aanvankelijk opvang heeft afgenomen bij [naam] en na haar verhuizing, bij [naam] en [naam]. Na de zitting heeft belanghebbende een e-mail van 8 februari 2011 overgelegd waaruit volgt dat zij vanaf dat moment zelf de eigen bijdrage voor de kinderopvang betaalde. Uit de jaaropgave blijkt echter dat belanghebbende alleen van 3 januari tot en met 31 mei 2011 opvang heeft afgenomen (productie 1211008, pagina 401).
Deze gegevens heeft belanghebbende ook zo ingevuld op het antwoordformulier, waarop geen aanvullende opvang ná mei 2011 is vermeld. Voor de overige maanden ontbreken bewijsstukken. Volgens UHT geeft het e-mailbericht van 8 februari 2011, gelet op de datum, geen aanknopingspunt voor opvang in de tweede helft van 2011.
UHT concludeert daarom dat opvang aannemelijk is voor de periode januari tot en met mei 2011, maar niet voor juni tot en met december 2011.
De Commissie overweegt dat volgens UHT sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan ouder kunnen worden toegerekend, omdat evident geen recht bestond op KOT. Toekenning van compensatie blijft dan volgens UHT, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege. De Commissie overweegt verder dat de door belanghebbende genoemde verhuizing volgens de voorhanden gegevens al in 2009 plaatsvond (zie hiervoor). Uit de jaaropgave blijkt dat belanghebbende in toeslagjaar 2011 in ieder geval opvang heeft afgenomen in de periode van 3 januari tot en met 31 mei 2011 (productie 1211008). Deze gegevens komen overeen met het door belanghebbende ingevulde antwoordformulier, zonder aanvullende informatie over opvang na mei 2011. Voor de resterende maanden heeft de Commissie kennis genomen van mailwisselingen van februari én oktober 2011 met daarin ook bankafschriften van 27 augustus 2011, waaruit afgeleid kan worden dat aan belanghebbende bedragen werden overgemaakt ten behoeve van [naam], zoals in de mailwisseling ook wordt vermeld. De bankafschriften komen overeen met de ter zitting gedane verklaring van belanghebbende dat zij op enig moment zelf betalingen mocht verrichten van de Kredietbank. De afspraken tussen belanghebbende en de Kredietbank zijn eveneens vastgelegd in de mailwisselingen. De door belanghebbende overgelegde e-mailberichten bieden, juist gelet op de datering, enige aanknopingspunten voor opvang in de tweede helft van 2011. Op basis hiervan acht de Commissie, in het licht van de opleidingssituatie van belanghebbende en daaruit voortvloeiende voortdurende noodzaak voor opvang, niet onaannemelijk dat naast de maanden januari tot en met mei 2011, ook opvang is afgenomen in de maanden juni tot en met december 2011. De vereiste evidentie om die maanden van compensatie uit te sluiten ontbreekt volgens de Commissie.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren.
De maanden april tot en met december 2012
Ter zitting heeft belanghebbende toegelicht dat zij hiermee enkel de voorschoolse opvang bedoelde en dat de naschoolse opvang in heel 2012 is voortgezet. Voorts heeft belanghebbende toegelicht dat zij haar opleiding tot en met 2013 heeft gevolgd en het diploma heeft behaald.
Dat zij reeds in maart 2012 met de opleiding zou zijn gestopt, klopt niet volgens belanghebbende nu de studiefinanciering tot augustus 2012 is doorbetaald. Ten aanzien van de betaling van de eigen bijdrage heeft belanghebbende verklaard dat zij vanaf januari 2012 schuldvrij was en zelf haar rekeningen betaalde, waarvan geen betalingsbewijzen meer beschikbaar zijn. Wel heeft zij een bewijs van beëindiging van het traject bij de kredietbank overgelegd. Daarnaast heeft belanghebbende uiteengezet dat haar dochter vijf dagen per week opvang genoot, zowel voor- als naschools, omdat zij naast haar studie ook werkzaamheden verrichtte. Gemachtigde voegde tijdens de hoorzitting toe dat het mogelijk is dat tussen maart en september 2012 geen opvang is genoten, maar in de periode van september tot en met december 2012 was er in ieder geval wel opvang.
Volgens UHT en gelet op de brief van belanghebbende uit februari 2017 heeft belanghebbende echter alleen in de perioden januari tot en met maart en september tot en met december 2012 gestudeerd, waardoor zij van april tot en met augustus 2012 niet tot de doelgroep behoorde. In de systemen is geen stopzetting zichtbaar, maar ook ontbreken schriftelijke bewijsstukken, anders dan de brief uit 2017, waaruit kan worden vastgesteld dat belanghebbende in de maanden april tot en met december 2012 opvang heeft afgenomen.
Gelet op de duidelijke verklaring in die brief, de stopzetting per maart 2012 (productie 1212006) en het ontbreken van aanvullend bewijs gaat UHT uit van de daarin opgenomen mededeling dat per maart 2012 geen opvang meer werd afgenomen.
Daarmee concludeert UHT dat voor de maanden april tot en met december 2012 sprake is van evident geen recht.
Gelet op het voorgaande overweegt de Commissie dat op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk is dat in de maanden januari tot en met maart 2012 opvang is afgenomen, maar dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de maanden april tot en met december 2012 gebruik heeft gemaakt van kinderopvang.
Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij in dit toeslagjaar geen KOT heeft ontvangen en dat de uitbetalingen op het LIC-overzicht niet kloppen. Belanghebbende had voor dit jaar wel aangegeven dat de KOT op haar rekening moest worden uitbetaald. Voor toeslagjaar 2015 ontving zij vervolgens wel een betaling van KOT op hetzelfde rekeningnummer dat voor 2014 door haar is doorgegeven.
UHT stelt zich op het standpunt dat uit het LIC-overzicht blijkt dat in 2014 wel degelijk KOT aan belanghebbende is uitbetaald (productie 1000006). Daarnaast heeft UHT de overschrijvingen uit 2014 en 2015 onderzocht; deze betalingen zijn beide jaren op het rekeningnummer van belanghebbende gestort. Een aantal van deze overschrijvingen is als productie 2700101 tot en met 2700108 bijgevoegd.
Bovendien verklaarde belanghebbende in haar brief van 7 februari 2017 dat zij wel KOT heeft ontvangen voor toeslagjaar 2014. UHT is daarom van oordeel dat voldoende vaststaat dat de KOT in 2014 aan belanghebbende is uitbetaald.
De Commissie overweegt dat LIC-overzichten zijn opgebouwd op basis van de betalingen en verrekeningen die B/T feitelijk heeft verricht.
De LIC-overzichten en de andere stukken met betrekking tot de overschrijvingen die UHT heeft ingebracht geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat de KOT niet aan belanghebbende is uitbetaald. De Commissie heeft hierbij ook rekening gehouden met het feit dat belanghebbende geen andere gegevens heeft ingebracht. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
O/GS-kwalificatie in 2014 en 2015
Belanghebbende is het er niet mee eens dat aan haar een O/GS-kwalificatie is opgelegd. Hiertoe heeft belanghebbende na de hoorzitting op 16 oktober 2025 verschillende stukken overgelegd, waaruit blijkt dat zij een betalingsregeling heeft proberen aan te vragen.
Ten aanzien van de O/GS-kwalificatie in 2014 en 2015 meent UHT dat deze kwalificatie terecht is toegepast (productie 1300001). Op 19 augustus 2015 heeft B/T een afwijzingsbrief persoonlijke betalingsregeling aan belanghebbende verstuurd. Voor de toeslagjaren 2014 en 2015 geldt dat de O/GS-kwalificatie het gevolg is van non-respons. Belanghebbende is tijdig geïnformeerd over de afwijzing van haar betalingsregeling.
Daarnaast heeft belanghebbende later zelf verklaard dat zij de KOT over deze jaren heeft gebruikt om andere schulden te betalen. Ook heeft belanghebbende meer dan zes maanden nadat de opvang was gestopt nog KOT ontvangen. Omdat belanghebbende de KOT zelf ontving en zelf de opvang heeft stopgezet, is UHT van oordeel dat sprake is van grove schuld. Deze kwalificatie is aan belanghebbende gecommuniceerd en voldoende gemotiveerd.
De Commissie deelt dit standpunt niet. Uit de stukken blijkt dat belanghebbende in feite jaar in jaar uit in financieel problematische situaties verkeerde. Verder blijkt dat er tal van wijzigingen in de toekenning van voorschotten plaatsvonden, er werd teruggevorderd en dan weer werd uitbetaald. In de brief van belanghebbende van 7 februari 2017 verklaart belanghebbende over 2014 dat zij had vernomen dat zij er recht op had. Ook verklaart zij dat zij er andere schulden mee heeft betaald. Zij was in 2014 weer bevallen en, zo verklaart zij, “ik had het heel moeilijk en ik gebruikte de toeslag om van te leven”. Gelet op deze gegevens en verklaring is weliswaar sprake van ten onrechte gebruik van voorschot KOT, maar de Commissie acht de kwalificatie dat sprake was van opzet of grove schuld in de situatie van belanghebbende niet op zijn plaats en is van oordeel dat “er te snel vanuit is gegaan dat er sprake was van opzet en/of grove schuld” en dit ouders ernstig benadeeld heeft (ontleend aan de memorie van toelichting bij de Wht, 3.1.1.1, pagina 15).
Gelet op het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de O/GS-kwalificatie niet terecht is geweest. Derhalve komt belanghebbende naar opvatting van de Commissie in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming voor 2014. Voor 2015 ziet de Commissie, gelet op de stopzetting door appellante nog voor 2015, geen aanleiding om dezelfde conclusie te trekken.
Belanghebbende stelt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed.
Hoewel de Commissie begrijpt dat belanghebbende meer schade heeft geleden, wordt overwogen dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op https://schadeherstel.toeslagen.nl/.
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- alsnog een compensatie op grond van vooringenomen handelen toe te kennen voor de periode juni tot en met december 2011;
- gelet hierop, de einddatum voor de vergoeding voor immateriële schade te laten doorlopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
- alsnog een O/GS tegemoetkoming toe te kennen voor toeslagjaar 2014;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter