Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-14821

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 6 september 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 2 juni 2025

Overdracht advies aan UHT: 23 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 6 september 2023 genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (met kenmerk UHT-DCH).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.664,- voor het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2016, 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012. In het informatie- en beoordelingsformulier is vermeld dat de toeslagjaren waarop het oorspronkelijke herbeoordelingsverzoek betrekking had zijn gewijzigd in de jaren 2012 tot en met 2019, omdat de KOT over de periode 2007 tot en met 2011 niet was aangevraagd door belanghebbende, maar door zijn partner.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 januari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2016, 2018 en 2019.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.664,- voor het jaar 2017 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2012 tot en met 2016, 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 januari 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 12 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 30 mei 2025 aanvullende gronden inclusief aanvullende stukken ingediend.
  • Op 2 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Naar aanleiding van die hoorzitting heeft gemachtigde op 30 juni 2025 een nadere schriftelijke reactie, inclusief een aanvullend stuk, ingediend. UHT heeft daarop op 1 juli gereageerd met een aanvullende beschouwing en heeft tevens een aanvullende productie ingediend.
  • Op 27 augustus 2025 heeft gemachtigde aangegeven te willen reageren op de aanvullende beschouwing van UHT.
  • Op 23 september 2025 heeft de secretaris van de Commissie vastgesteld dat gemachtigde niet gereageerd heeft op de aanvullende beschouwing van UHT en heeft zij gemachtigde in de gelegenheid gesteld om dit op uiterlijk 1 oktober 2025 alsnog te doen.
  • Gemachtigde heeft per e-mail van 2 oktober 2025 aan de Commissie meegedeeld dat geen nadere reactie wordt aangeleverd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie gaat in op de vraag of de beschikking van UHT berust op een juiste feitelijke grondslag en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de toeslagjaren 2012 tot en met 2016, 2018 en 2019 af te wijzen. Ook zal de Commissie ingaan op het door UHT ingenomen standpunt dat belanghebbende voor toeslagjaar 2017 ten onrechte is gecompenseerd, omdat in bezwaar gebleken is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) wel voldoende uitvraag heeft gedaan.

Tot besluit zal de Commissie zich uitlaten over de ter zitting gestelde vraag, die de Commissie aanmerkt als bezwaargrond, of UHT de aan belanghebbende toegekende compensatie en tegemoetkoming kan verrekenen met het bedrag van € 30.000,- dat in het kader van de Catshuisregeling aan de partner van belanghebbende is toegekend en uitbetaald.

Toeslagjaren 2012, 2014, 2015, 2017 en 2018 (wel compensatie)

Naar aanleiding van het bezwaar heeft UHT de jaren 2012 tot en met 2016, 2018 en 2019 herbeoordeeld en is geconstateerd dat er fouten zijn gemaakt in de bestreden beschikking, zowel in het nadeel als in het voordeel van belanghebbende. UHT is van opvatting dat jegens belanghebbende vooringenomen is gehandeld over de jaren 2012, 2014, 2015 en 2018, waardoor belanghebbende voor deze jaren alsnog wordt gecompenseerd. Volgens UHT is belanghebbende echter ten onrechte gecompenseerd voor toeslagjaar 2017, omdat de stopbrief, welke volgens UHT een kenmerk van vooringenomenheid was, over het toeslagjaar 2018 gaat en niet over een nihilstelling van de KOT over toeslagjaar 2017. Omdat belanghebbende niet in een slechtere positie terecht mag komen door zijn bezwaar, wijzigt UHT de al verstrekte compensatie voor het jaar 2017 niet in de beslissing op bezwaar.

De Commissie heeft naar de voorgenomen aanpassingen gekeken en deze komen haar juist voor. Met het standpunt van UHT, om over de toeslagjaren 2012, 2014, 2015 en 2018 alsnog compensatie toe te kennen en de compensatie over het toeslagjaar 2017 niet aan te passen, is de Commissie van oordeel dat belanghebbende niet in een slechtere positie is geraakt of anderszins is tekortgedaan. De Commissie adviseert UHT, aansluitend bij haar eigen standpunt, dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en de compensatie opnieuw te berekenen en daarbij alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. De Commissie verzoekt UHT daarbij ten aanzien van voormelde toeslagjaren aangepaste compensatieberekeningen aan het besluit op bezwaar toe te voegen.

Toeslagjaren 2013, 2016 en 2019 (geen compensatie)

UHT heeft de toeslagjaren 2013, 2016 en 2019 herbeoordeeld en stelt dat belanghebbende over deze jaren geen recht heeft op compensatie. Over het toeslagjaar 2013 heeft geen neerwaartse correctie plaatsgevonden. Over de toeslagjaren 2016 en 2019 hebben weliswaar neerwaartse correcties plaatsgevonden, maar die vloeiden voort uit reguliere wijzigingen, zoals een aangepast toetsingsinkomen en een wijziging in het aantal opvanguren. De Commissie overweegt dat uit de beschikbare gegevens niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, wijziging of terugvordering van de KOT in deze jaren sprake was van institutioneel vooringenomen handelen of van hardheid. De aanpassingen zijn conform de wettelijke systematiek uitgevoerd en leveren in beginsel geen aanspraak op een hardheidstegemoetkoming op. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden om daarvan in het geval van belanghebbende af te wijken. Ook is niet gebleken van een onterechte kwalificatie O/GS. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Verrekenen met Catshuisvergoeding van partner?

Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting gevraagd of de Commissie zich wil uitlaten over de vraag of het voor belanghebbende vastgestelde compensatiebedrag verrekend mag worden met het bedrag van € 30.000 dat de toeslagpartner van belanghebbende heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling. De Commissie overweegt als volgt.

De Commissie stelt voorop dat artikel 2.7 lid 2 Wht geen grondslag biedt voor de door UHT beoogde verrekening van het compensatiebedrag van belanghebbende met de €30.000 die aan de partner is uitbetaald op grond van de Catshuisregeling. Dat wetsartikel vergt immers dat de aanvrager én zijn partner gedurende (een deel van) de relevante periode partners waren in de zin van artikel 3 en artikel 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en dat beiden over die periode recht hadden op een herstelmaatregel op grond van de Wht. In de zaak van belanghebbende lijken geen van beide voorwaarden vervuld. De partner was, voor zover uit de stukken blijkt, in 2017 (weliswaar voor een bepaalde periode) immers in de systemen van BT “verwijderd” als partner (pagina 10 van het dossier). Zelfs als dat anders zou zijn, is bij de integrale beoordeling van de partner vastgesteld dat zij geen recht heeft op compensatie. Daarmee ontbreekt een essentiële voorwaarde voor toepassing van artikel 2.7 lid 2 Wht.

De Commissie acht het niet uitgesloten dat UHT voor de beoogde verrekening steun zoekt in passages uit het ingetrokken Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag, waarin oorspronkelijk werd gesuggereerd dat het uitbetaalde bedrag door partners onderling verdeeld moest worden. Voor zo ver dat aan de orde is, dient te worden benadrukt dat de wetgever in de Memorie van Toelichting bij artikel 2.7 Wht heeft vastgesteld dat de wettelijke regeling van artikel 2.7 leden 2 en 3 Wht volledig in de plaats treedt van die passages uit het ingetrokken Besluit uitbreiding Catshuisregeling Kinderopvangtoeslag. De verdelingsvraag moet dus sindsdien uitsluitend op basis van artikel 2.7 Wht worden beantwoord.

Tot slot merkt de Commissie op dat de vraag kan worden gesteld of zij bevoegd is te adviseren over besluiten waarbij een verrekening op grond van artikel 2.7 Wht wordt toegepast. Hoewel de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen de indruk zou kunnen wekken dat dergelijke beschikkingen buiten haar reikwijdte vallen, is dat in dit geval niet aan de orde. De bestreden beschikking is immers gebaseerd op artikel 2.1 Wht, de daarop door UHT beoogde verrekening is daarvan slechts een afgeleid onderdeel. De Commissie acht zich daarom bevoegd om hierover te adviseren. Overigens, zoals hiervoor is opgemerkt, biedt artikel 2.7 Wht geen wettelijke grondslag voor de door UHT beoogde verrekening. Daarom adviseert de Commissie UHT het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en de verrekening achterwege te laten.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie het bezwaar deels gegrond acht, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatie opnieuw te berekenen en daarbij alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies. De Commissie verzoekt UHT daarbij een nieuwe compensatieberekening aan het besluit op bezwaar toe te voegen;
  • de aldus bepaalde compensatie aan belanghebbende uit te betalen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter