BAC 2025-15312
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 23 mei 2022 (UHT-DC-I A, UHT-DH5 A, UHT-O OGS B)
Overdracht advies aan UHT: 8 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 23 mei 2022. Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014. Wel is een tegemoetkoming voor onterechte kwalificatie opzet/grove schuld toegekend van €4.611,- voor het jaar 2014 (hierna: O/GS-tegemoetkoming).
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaak-behandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2013 en 2014.
- UHT heeft bij besluit van 3 juli 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 maart 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2013 en 2014 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij de primaire besluiten van 23 mei 2022 (met het kenmerk UHT-DC-I A, UHT-DH5 A, hierna: de bestreden besluiten) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014. UHT heeft daarnaast bij primair besluit van 23 mei 2022 (met het kenmerk UHT-O OGS B, hierna: het bestreden besluit) wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend van €4.611,- voor het jaar 2014.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 27 februari 2024, ingekomen op 1 maart 2024, tegen deze beschikkingen bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 13 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 23 en 24 september 2025 de gronden van het bezwaarschrift aangevuld.
- Gemachtigde heeft voorts in een e-mailbericht van 16 oktober 2025 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord. Gemachtigde heeft verzocht om in plaats van een hoorzitting een schriftelijke ronde in te lassen.
- De Commissie heeft in een e-mailbericht van 20 oktober 2025 aan gemachtigde en UHT laten weten dat de hoorzitting wordt geannuleerd en dat in plaats daarvan een schriftelijke ronde volgt. Tevens is in dat bericht aan gemachtigde een termijn gegeven voor het indienen van nadere bezwaargronden, zijnde uiterlijk 21 oktober 2025.
- Gemachtigde heeft bij brief van 21 oktober 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend. UHT heeft hier op 27 november 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Procedurele bezwaren
Persoonlijk dossier
Belanghebbende verzoekt om haar (volledige) persoonlijk dossier.
Met de schriftelijke beschouwing en onderliggende stukken, die op 7 april 2025 aan gemachtigde zijn toegezonden heeft UHT voorshands voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als belanghebbende een aanknopingspunt biedt om te oordelen dat bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken niet ter inzage zijn gelegd. Dat is hier niet gebeurd. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door de gang van zaken in haar processuele belangen is geschaad. De namens belanghebbende in dit verband naar voren gebrachte bezwaargronden kunnen derhalve niet tot het door haar gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT daarom dit bezwaar ongegrond te verklaren.
Geen oudergesprek in bijzijn van gemachtigde
Belanghebbende voert aan dat uit het dossier niet blijkt wat zich heeft afgespeeld en voorts dat geen oudergesprek heeft plaatsgevonden, althans niet in het bijzijn van gemachtigde.
De Commissie stelt vast dat in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 17 e.v. bezwaardossier) door de persoonlijk zaakbehandelaar een toelichting is gegeven op de gang van zaken. Belanghebbende is ziek. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft gesproken met de mantelzorger van belanghebbende en vervolgens met haar zoon.
Daarbij is afgesproken dat de zoon van belanghebbende samen met haar het ouderverhaal op papier zal vastleggen en aan de persoonlijk zaakbehandelaar zal mailen. Omdat de persoonlijk zaakbehandelaar daarop niets vernam is vervolgens telefonisch contact met de zoon van belanghebbende geweest, waarna een samenvatting van dat gesprek is opgenomen in het informatie- en beoordelings-formulier. Verder blijkt uit het dossier dat er in maart en april 2022 contacten zijn geweest tussen de persoonlijk zaakbehandelaar en de toenmalig gemachtigde over de opvang destijds en blijkt niet dat de gemachtigde toen meer informatie nodig had of namens belanghebbende wenste te verstrekken. Inmiddels is op basis van de voorhanden stukken voorts een meer volledig beeld ontstaan van de ervaringen van belanghebbende. Verder heeft belanghebbende er van afgezien ter zitting desgewenst meer informatie te verstrekken. De Commissie volstaat daarom met het voorgaande en ziet daarin geen aanknopingspunt voor het daaraan verbinden van gevolgen.
Geen vooraankondiging, geen zienswijze
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat dit niet de aangewezen gang van zaken is. Belanghebbende heeft echter in het kader van de bezwaarprocedure alsnog de gelegenheid gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. De tekortkoming is daarmee hersteld.
Beslistermijn aanvraag KOT
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan.
De Commissie is van mening dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt. Zij laat het daarom verder onbesproken.
Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen
Gemachtigde meent dat UHT haar beoordeling niet dient te beperken tot neerwaartse bijstellingen en nihilstellingen. UHT dient ook te beoordelen of de KOT over enig toeslagjaar juist is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vast-stellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Afwijzing compensatie
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de jaren 2013 en 2014 af te wijzen.
De Commissie overweegt dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT.
De Commissie stelt vast dat B/T navraag heeft gedaan bij de door belanghebbende opgegeven kinderopvanginstelling en dat uit die navraag naar voren is gekomen dat het kind waarvoor belanghebbende KOT had aangevraagd, daar niet bekend was (tijdlijn pagina 20 bezwaardossier). Deze informatie is niet bij belanghebbende geverifieerd alvorens B/T de KOT heeft stopgezet. Dat had wel gemoeten. Evenwel, ook als zou worden aangenomen dat B/T hiermee jegens belanghebbende vooringenomen heeft gehandeld, leidt dat niet tot compensatie.
De Commissie overweegt daartoe dat op grond van de voorhanden zijnde stukken niet is gebleken dat belanghebbende gekwalificeerde opvang heeft afgenomen en dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Daarover is geen enkel concreet aanknopings-punt (jaaropgaven, facturen etc.) beschikbaar. Bovendien is geen op opvang wijzende informatie in de KOI-viewer opgenomen. De Commissie betrekt bij haar oordeel dat, anders dan belanghebbende in haar bezwaar aanvoert, de eis van registratie van de opvang in het Landelijk Register Kinderopvang (“LRK”) wel degelijk een vereiste is dat aan een ouder kan worden tegengeworpen. Immers, op grond van artikel 1.5, eerste lid, van de Wet Kinderopvang heeft een ouder die aanspraak maakt op KOT recht daarop indien opvang plaatsvindt bij een kinderopvanginstelling of gastouder die geregistreerd staat in het LRK.
Kortom, er bestaat ‘evident geen recht’ op KOT en daarom heeft belanghebbende geen recht op compensatie wegens vooringenomen handelen. Tot slot is de Commissie evenmin gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden dat sprake is van hardheid van het stelsel. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.
Overige bezwaargronden
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze geen doel treffen of niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de bestreden besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter