BAC 2022-07853
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 april 2022 (UHT-DH5 A)
Hoorzitting: 9 januari 2026 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door voormalig gemachtigde ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 en 2015.
Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 5 november 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2014 en 2015.
- UHT heeft bij besluit van 12 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 februari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat voor de betrokken jaren de compensatieregeling van artikel 49b van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir niet van toepassing zijn.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 en 2015.
- Voormalig gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2022 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Medio 2024 heeft [naam] (hierna: gemachtigde) zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
- UHT heeft op 30 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft op 30 december 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 8 januari 2026 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 9 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Omvang van het geschil
Aan de hand van het verhandelde tijdens de hoorzitting stelt de Commissie vast dat het jaar 2013 niet langer in geschil is.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2014 en 2015
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2014 en 2015 heeft afgewezen.
UHT heeft zich in de bestreden beschikking op het standpunt gesteld dat voor de jaren 2014 en 2015 sprake is van vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T), maar dat belanghebbende evident geen recht had op KOT. Aan dat oordeel heeft UHT ten grondslag gelegd dat er geen gegevens beschikbaar zijn waaruit blijkt dat in de betreffende periode kinderopvang is afgenomen, dat er geen gegevens zijn waaruit blijkt dat uit de eigen onderneming van belanghebbende inkomsten zijn gegenereerd en dat de dochter van belanghebbende niet stond ingeschreven op hetzelfde adres als belanghebbende en hij geen co-ouderschap heeft aangetoond.
Belanghebbende betoogt dat UHT heeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of evident geen recht bestond op KOT niet voldoende is dat dit aannemelijk is, maar dat UHT middels bewijsstukken moet aantonen dat zonder enige twijfel niet werd voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van de KOT. Daarvoor kan UHT zich volgens belanghebbende niet beroepen op de afwezigheid van gegevens in de systemen.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem/haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2 van de Wht. De Commissie overweegt, in lijn met eerdere adviezen (bijvoorbeeld BAC 2023-12526 en BAC 2023-14995), dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
De Commissie is van opvatting dat het betoog van belanghebbende slaagt en dat UHT er niet in is geslaagd om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen. Zij overweegt daartoe als volgt. Belanghebbende heeft verklaard dat hij en zijn toenmalige toeslagpartner eind september 2014 uit elkaar zijn gegaan en dat hij toen naar Roermond is verhuisd, terwijl zijn ex-partner in Tilburg bleef wonen. Ook heeft hij verklaard dat hun dochter vanaf dat moment doordeweeks bij hem in Roermond woonde, alwaar hij een eigen onderneming had en zijn dochter naar de kinderopvang ging. In het weekend verbleven zij beiden op het adres van zijn ex-partner in Tilburg, waar zijn dochter stond ingeschreven. De Commissie acht deze verklaringen gelet op de stukken en het verhandelde tijdens de hoorzitting niet onaannemelijk. Zo heeft belanghebbende op 6 oktober 2014 aan B/T een adreswijziging en wijziging van het partnerschap doorgegeven, met ingang van 30 september 2014. Ook heeft hij op 14 november 2014 een aanvraag om KOT gedaan met ingang van 14 oktober 2014, waarbij de kinderopvanginstelling is gespecificeerd te weten kinderopvanginstelling [naam], gevestigd te Roermond, alsook het aantal uren en het uurtarief. Verder heeft hij bij brief, bij B/T ingekomen op 30 juli 2015, bezwaar gemaakt tegen de beschikking van 21 maart 2015, waarbij de KOT voor 2015 op nihil is gesteld, stellende dat hij wel recht had op KOT. Dit bezwaarschrift is door B/T niet ontvankelijk verklaard en daarmee niet inhoudelijk behandeld.
Anders dan UHT heeft gesteld is, zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld (bijvoorbeeld BAC 2023-12526), het enkel ontbreken van gegevens in de KOI-viewer onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende in de betreffende periode geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Het is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden.
UHT heeft niet bestreden dat belanghebbende in de betrokken periode een eigen onderneming had. Anders dan UHT stelt, acht de Commissie de omstandigheid dat belanghebbende geen belastingaangifte heeft gedaan van de inkomsten uit zijn eigen onderneming onvoldoende bewijs dat belanghebbende geen inkomen had uit werk.
Belanghebbende heeft in dit verband ter zitting verklaard dat hij zijn inkomsten aan zijn boekhouder/administrateur heeft doorgegeven, maar dat die boekhouder/administrateur kort daarna is overleden. UHT heeft deze verklaring niet bestreden en de Commissie acht deze verklaring niet onaannemelijk. Dat de ex-partner van belanghebbende in de betrokken jaren een Wajong-uitkering had en niet is gebleken dat zij een re-integratietraject volgde is in dit verband niet relevant, nu het toeslagpartnerschap op dat moment reeds was beëindigd.
Volgens de Commissie houdt voorts de omstandigheid dat de dochter van belanghebbende niet op zijn adres stond ingeschreven en belanghebbende geen stukken heeft overgelegd waaruit co-ouderschap blijkt, geen bewijs in dat zijn dochter niet feitelijk bij hem heeft gewoond. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Awir, zoals dit luidde ten tijde van belang, geldt de voorwaarde van inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet gedurende de periode waarin het kind tegelijkertijd tot de huishoudens van zijn beide ouders behoort en hij op hetzelfde woonadres als een van die ouders staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Voor de toepassing van de eerste volzin behoort iemand tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien hij doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft. Gelet op de verklaringen van belanghebbende kan UHT niet worden gevolgd in haar standpunt dat niet aan deze voorwaarden is voldaan.
De Commissie is daarom van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet is geslaagd in het bewijs dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen “vooringenomenheid”, als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1, van de Wht, toepasselijk is.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om belanghebbende alsnog als gedupeerde aan te merken op grond van vooringenomenheid voor het toeslagjaar 2014 (periode 14 oktober 2014 tot en met 31 december 2014) en voor het toeslagjaar 2015. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar tegen de bestreden beschikking gegrond acht en adviseert om het besluit te herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (indienen van het bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen de beschikking van 20 april 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, gegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de periode 14 oktober 2014 tot en met 31 december 2014 en voor toeslagjaar 2015;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter