Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15978

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 28 juli 2025 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 6 januari 2026

Overdracht advies aan UHT: 28 januari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.236 voor toeslagjaar 2018 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2016, 2017 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2016 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij beschikking van 15 maart 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een bedrag van €30.000 op grond van de Catshuisregeling, en dat de Integrale Herbeoordeling in gang wordt gezet.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 23 april 2024, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een voorlopige compensatie toegekend voor een bedrag van €11.961 vanwege vooringenomenheid over toeslagjaar 2018. UHT heeft aan belanghebbende geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2016, 2017 en 2019.
  • UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 27 juni 2024, met kenmerk UHT-DCHO, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 12.236 vanwege vooringenomenheid over toeslagjaar 2018. UHT heeft aan belanghebbende geen compensatie toegekend over de jaren 2016, 2017 en 2019.
  • Gemachtigde heeft op 25 september 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 28 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar
  • Gemachtigde heeft op 16 december 2025 het bezwaar aangevuld.
  • Op 6 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 13 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 16 januari 2026 op gereageerd. Belanghebbende heeft daar op 19 januari 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT het compensatiebedrag voor toeslagjaar 2018 op juiste wijze heeft berekend en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2016, 2017 en 2019 af te wijzen.

Persoonlijk dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie overweegt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende grond om te concluderen dat het dossier niet volledig is en dat de verplichting van artikel 7:4 lid 2 Awb geschonden is. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2016 en 2017

Belanghebbende stelt dat zij voor de toeslagjaren 2016 en 2017 in aanmerking komt voor compensatie vanwege vooringenomenheid dan wel hardheid. Daarbij voert belanghebbende aan dat de uitvraag- en rappelbrieven naar een onjuist adres en op dezelfde datum zijn verzonden en dat daarnaast sprake is van hardheid wegens reguliere wijzigingen en verrekeningen over meerdere jaren.

UHT voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) belanghebbende tweemaal schriftelijk om informatie heeft gevraagd. Bij het uitblijven van een reactie is de KOT op nihil gesteld. UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing van 13 januari 2026 uiteengezet uit welke producties in het dossier volgens haar blijkt dat de adresgegevens van belanghebbende correct waren. Daarbij stelt UHT dat zij zowel gegevens van de gemeente heeft ontvangen als dat de communicatie met B/T in de desbetreffende periode via het uit de stukken volgende adres heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het versturen van de uitvraagbrieven voert UHT aan dat uit het dossier blijkt dat de uitvraagbrief op 1 mei 2017 is verzonden en de rappelbrief op 5 juni 2017. UHT is derhalve van mening dat tussen de uitvraagbrief en de rappelbrief voldoende tijd is gelegen. Volgens UHT is over toeslagjaren 2016 en 2017 sprake van reguliere wijzigingen en bestaat er geen recht op compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie is van oordeel dat belanghebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld om op de uitvraag- en rappelbrief te reageren. Ten aanzien van de adresgegevens stelt de Commissie vast dat het adres vermeld op de uitvraagbrieven overeenkomt met de adresgegevens die belanghebbende zelf heeft opgegeven in latere procedures, waaronder het bezwaar in 2017 en het verzoek om herziening over toeslagjaar 2017 in 2018. Verder heeft belanghebbende in haar schriftelijke reactie niet betwist dat de stukken naar het juiste adres zijn verzonden.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT dat geen sprake was van een bijzondere omstandigheid die het toekennen van compensatie op grond van de hardheidsregeling rechtvaardigt. Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaren 2016 en 2017 geen sprake geweest van vooringenomenheid dan wel hardheid.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende omtrent het overleggen van een deugdelijke verzendadministratie overweegt de Commissie het volgende. Het ontbreken van uitvraagbrieven in de systemen van B/T kan onder omstandigheden een aanwijzing voor vooringenomenheid opleveren. De Commissie merkt echter op dat in dit geval uit het dossier volgt dat uitvraagbrieven in de systemen van B/T aanwezig zijn. Naar de overtuiging van de Commissie mag er dan in beginsel van uit worden gegaan dat B/T wijzigingen doorvoerde omdat zij (in ieder geval in de veronderstelling verkeerde dat zij) voldoende had uitgevraagd. Belanghebbende heeft ook niet betwist dat zij de uitvraagbrieven heeft ontvangen.

Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van hardheid wegens de verrekening van terechte terugvorderingen over de jaren 2016 en 2017 met nadien toegekende toeslagen, overweegt de Commissie dat deze verrekeningen onderdeel uitmaken van de reguliere uitvoering van de KOT in de betreffende toeslagjaren. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wetgever heeft de situatie van verrekening niet expliciet genoemd. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder.

Nu geen sprake is van een weigering, terugvordering of stopzetting die kan worden aangemerkt als hardheid in de toepassing van het wettelijke stelsel, bestaat geen aanleiding voor compensatie op grond van hardheid.

De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019

Belanghebbende stelt dat zij voor het toeslagjaar 2019 in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid dan wel op grond van hardheid. Daarbij voert de gemachtigde aan dat de door B/T genoemde stopzetting van de KOT door belanghebbende niet in het dossier is opgenomen en dat daarnaast sprake is van hardheid wegens reguliere wijzigingen en verrekeningen over meerdere jaren.

UHT stelt dat de KOT neerwaarts is bijgesteld naar aanleiding van een door belanghebbende doorgevoerde wijziging ten aanzien van de periode van opvang. UHT verwijst in dit verband naar de voorschotbeschikking KOT 2019 van 21 juni 2019, waaruit volgt dat een wijziging van de KOT enkel is doorgevoerd voor de maanden januari tot en met april 2019. Daarnaast heeft UHT in haar aanvullende beschouwing van 13 januari 2026 de stopzetting van 25 april 2019, waarnaar in het dossier wordt verwezen, overgelegd. UHT voert aan dat uit deze stopzetting blijkt dat deze door belanghebbende zelf is verricht. Volgens UHT is over toeslagjaar 2019 sprake van reguliere wijzigingen en bestaat geen recht op compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT. De Commissie is van oordeel dat uit de aangeleverde stukken van UHT blijkt dat de KOT is stopgezet op 23 mei 2019 per 25 april 2019. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om tot een andere conclusie te komen. Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van hardheid wegens de verrekening van terechte terugvorderingen over het jaar 2019 met nadien toegekende toeslagen, verwijst de Commissie naar hetgeen zij hierover heeft opgemerkt ten aanzien van de toeslagjaren 2016 en 2017. De Commissie overweegt dat belanghebbende ten aanzien van het toeslagjaar 2019 geen aanspraak maakt op compensatie op grond van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

O/GS

Belanghebbende stelt dat de conclusie van UHT dat geen sprake was van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) onvoldoende onderbouwd is. UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar productie 1300001 in het dossier, en in haar aanvullende schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie 2800007, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie. De Commissie overweegt dat uit de voorhanden zijnde stukken niet, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende op enig moment een onterechte O/GS kwalificatie heeft gekregen. Ook uit andere omstandigheden is de stelling dat wel sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Vergoeding voor immateriële schade

Belanghebbende stelt dat zij meer immateriële schade heeft geleden dan waarvoor zij is gecompenseerd. UHT heeft - in het kader van de volledige heroverweging in bezwaar - de compensatieberekening volledig heroverwogen en stelt dat zij bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade de juiste start- en einddatum heeft gehanteerd. Er bestaat daarom geen aanleiding om de vergoeding voor immateriële schade aan te passen.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Sinds 25 november 2025 is er een nieuw digitaal informatie- en aanmeldportaal via de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gedupeerde ouders die vinden dat zij meer schade hebben geleden door de problemen met de KOT dan zij in de integrale beoordeling (IB) vergoed hebben gekregen, kunnen zich via voornoemd digitaal portaal aanmelden.

Aanvullende vergoeding van 1%

Nu het bezwaar ongegrond wordt geacht, adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% in stand te laten bij het nemen van een beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCHO af te wijzen.

Conclusie

Tekst

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter