BAC 2023-11331
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 december 2022 (UHT-DCH) en 31 januari 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 6 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 21 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 26 december 2022 (UHT-DCH) en 31 januari 2023 (UHT-O OGS B). Deze beschikkingen worden hierna aangeduid als de bestreden besluiten.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 941,- voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013. Voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2013 is aan belanghebbende vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (hierna: O/GS) een tegemoetkoming toegekend van € 14.201,-
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 19 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij besluit van 11 maart 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 juli 2022 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de compensatieregelingen uit de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) niet van toepassing zijn voor de jaren 2009 tot en met 2013.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 941,- voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 januari 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming toegekend van € 14.201,- vanwege een onterechte O/GS-kwalificatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 maart 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 25 februari 2025 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Op 6 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 november 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft per e-mail van 3 december 2025 te kennen gegeven niet te zullen reageren.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2013 af te wijzen. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Toeslagjaar 2009 en de maanden januari en februari 2010
Uit de stukken in het dossier volgt dat de neerwaartse correcties van de KOT voor toeslagjaar 2009 en de eerste maanden van toeslagjaar 2010 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.
De B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT-voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. De B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders zoals die in het systeem van de Belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Evident geen recht
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de maanden maart tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011, 2012 en 2013 nu belanghebbende in die periode geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Tijdens de hoorzitting heeft de gemachtigde verteld dat het kind van belanghebbende, dat in februari 2010 vier jaar oud werd, pas na de zomervakantie aan de basisschool is begonnen en dat tot die tijd dagopvang werd afgenomen. Dit wordt echter niet aannemelijk gemaakt door de door de gemachtigde overgelegde stukken. De toekenningsbrief van de gemeente Den Haag van 14 juni 2010 ziet op een tegemoetkoming voor buitenschoolse opvang en uit de brief van kinderopvanginstelling [naam] van 27 mei 2009 volgt dat het kind van belanghebbende per 1 februari 2010 op de wachtlijst is geplaatst voor buitenschoolse opvang. Met deze stukken zou wellicht aannemelijk zijn dat belanghebbende buitenschoolse opvang zou hebben afgenomen in de periode in kwestie, ware het niet dat volgens de informatie in KOI-viewer de (dag)opvang per 15 februari 2010 is gestopt en zowel belanghebbende als gemachtigde expliciet hebben gesteld dat geen buitenschoolse opvang is afgenomen.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor deze periode dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende maakt ook bezwaar tegen de berekening door UHT van de tegemoetkoming voor de onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2013.
Op grond van art. 2.6 lid 1 en 2 Wht ontvangt een belanghebbende die vanwege een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd een O/GS-tegemoetkoming van 30% van het teruggevorderde bedrag. Volgens art. 2.6 lid 4 Wht blijft deze O/GS-tegemoetkoming achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in art. 2.1 Wht over hetzelfde berekeningsjaar.
Voor geen van de herbeoordeelde toeslagjaren heeft belanghebbende compensatie ontvangen als bedoeld in art. 2.1 Wht waardoor haar O/GS-tegemoetkoming bestaat uit 30% van de som van de bedragen die B/T voor ieder van de herbeoordeelde toeslagjaren heeft teruggevorderd.
Uit bestudering van de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de O/GS-tegemoetkoming die belanghebbende heeft ontvangen op de juiste wijze is berekend. De Commissie adviseert UHT daarom om ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om het hierop betrekking hebbende verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter