BAC 2025-15876
Publicatiedatum 02-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 juni 2024 (UHT-DCHO)
Hoorzitting: 13 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 27 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juni 2024 waarbij belanghebbende is meegedeeld:
- dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2016 is gebleken van fouten met betrekking tot toeslagjaar 2016 en dat belanghebbende daarom recht heeft op een compensatiebedrag van € 4.395.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
- Bij brief van 5 januari 2023 is belanghebbende meegedeeld dat zij, in het kader van de eerste toets, vooralsnog geen recht heeft op een betaling van € 30.000.
- Op 29 mei 2024 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat voor de toeslagjaren 2013 en 2014 geen herstelregeling van toepassing is. Voor toeslagjaar 2016 is de compensatieregeling van toepassing.
- Bij brief van 20 juni 2024 is het bestreden besluit genomen en daarbij heeft UHT bevestigd dat belanghebbende wel recht had op een betaling van € 30.000.
- Bij brief van 26 juni 2024 heeft gemachtigde tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt.
- Op 10 april 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 13 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Herbeoordeelde toeslagjaren
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor toeslagjaar 2016 is gecompenseerd wegens hardheid.
2013
De KOT voor 2013 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van minder afgenomen kinderopvanguren. Het LIC-overzicht en de andere stukken uit het dossier die UHT heeft aangeleverd geven de Commissie geen aanleiding om aan te nemen dat deze onjuist zijn.
2014
Niet in geschil is dat bij de uitvoering van de KOT in het jaar 2014 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid. Als vooringenomenheid wordt vastgesteld, dan is de compensatieregeling van toepassing. Uit artikel 2.1, tweede lid, van de Wht volgt echter dat compensatie achterwege blijft indien sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn. Van een ernstige onregelmatigheid is in ieder geval sprake als de ouder evident geen recht had op kinderopvangtoeslag in de betreffende jaren.
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel in het jaar 2014 sprake is geweest van vooringenomenheid, aan belanghebbende toch geen compensatie kan worden toegekend. Volgens UHT was in het geval van belanghebbende voor het jaar 2014 namelijk sprake van evident geen recht op KOT, omdat belanghebbende in de periode van januari 2014 tot en met 24 november 2014 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde opvang en tevens geen sprake was van doelgroeperschap in de periode 24 november 2014 tot en met december 2014. Belanghebbende heeft gesteld dat zij een opleiding volgde en hiervoor studiefinanciering ontving. Zij is daarom van mening dat zij wel doelgroeper was.
Artikel 1.6, eerste lid, van de Wet kinderopvang (Wko) regelt de aanspraak op KOT van een ouder die kinderopvang nodig heeft. Uit dit artikel volgt dat belanghebbende alleen aanspraak kan maken op KOT indien zij in het jaar 2014 arbeid verrichtte, studeerde of onder de doelgroepen van het UWV of de gemeente viel en in dat kader deelnam aan een traject gericht op arbeidsinschakeling.
Naar het oordeel van de Commissie is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende een opleiding volgde. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit dat naar voren komt.
Uit het voorgaande volgt dan ook dat belanghebbende in het jaar 2014 niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 1.6, eerste lid, van de Wko. Belanghebbende kon dus geen aanspraak maken op KOT voor het jaar 2014. Dit betekent dat belanghebbende voor het jaar 2014 evident geen recht had op KOT.
De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.
De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet makkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.
Compensatieberekening
Onderdeel ‘o’ van de compensatieberekening is onjuist vastgesteld. Echter, het gehanteerde bedrag is in het voordeel van belanghebbende. Daarom adviseert de Commissie het toegekende bedrag niet aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat de bezwaren ongegrond zijn, komt belanghebbende op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter