BAC 2025-15667
Publicatiedatum 22-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 29 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 19 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 27 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006, 2007 en 2008. Omdat belanghebbende alleen beschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2011 heeft ontvangen, worden alleen de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 herbeoordeeld.
- UHT heeft bij besluit van 27 mei 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 5 februari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 er wel aanwijzingen zijn voor vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen, maar uit de stukken niet blijkt dat er opvang is geweest bij of via een geregistreerde kinderopvangorganisatie. Ook blijkt niet dat belanghebbende inkomsten uit actuele arbeid had of dat zij als zogenaamde ‘doelgroeper’ kon worden aangemerkt. Belanghebbende heeft geen gegevens aangeleverd waaruit het tegendeel volgt. Voor de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 bestaat dus evident geen recht op KOT en is compensatie niet aan de orde.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 maart 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 10 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 19 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009 tot en met 2011 af te wijzen.
Persoonlijk dossier/motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of zij inderdaad geen aanspraak maakt om compensatie over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011. Hierdoor is de bestreden beschikking volgens haar onvoldoende gemotiveerd. De Commissie volgt dit standpunt niet. De schriftelijke reactie (“beschouwing”) van UHT en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Ontbrekende stukken/equality of arms
Belanghebbende voert aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking heeft gekregen over haar persoonlijk dossier en een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT die volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties zijn op 13 augustus 2025 aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.
Automatische continuatie
Belanghebbende voert aan dat de KOT over de jaren 2010 en 2011 is gecontinueerd en de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld. De Commissie overweegt dat het automatische continueren van de KOT inherent is aan het toeslagensysteem. Op grond van artikel 15 lid 5 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor de op het berekeningsjaar volgende jaren. Een aanvraag van de KOT wordt dus geacht ook te zijn gedaan voor de daaropvolgende toeslagjaren en wordt daarmee automatische gecontinueerd, tenzij de KOT door belanghebbende of de B/T wordt stopgezet of gewijzigd. Naar het oordeel van de Commissie heeft B/T met het automatisch continueren van de KOT op een juiste wijze uitvoering gegeven aan de wet. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Hardheid van het stelsel/beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat B/T over de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c lid 1, aanhef en onder j, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2009, 2010 en 2011
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1 lid 2 Wht, achterwege in geval van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Daarvan was geen sprake in toeslagjaren 2009 tot en met 2011, nu uit de systemen van B/T niet is gebleken dat belanghebbende werkte of een ‘doelgroeper’ was, terwijl ook niet is gebleken dat belanghebbende in de toeslagjaren 2009 tot en met 2011 kinderopvang heeft genoten. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet gemotiveerd bestreden. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij in de hier besproken jaren wel werkte of doelgroeper was en dat zij kinderopvang heeft genoten. Er bestond dus evident geen recht op KOT over de jaren 2009 tot en met 2011 en er bestaat daarom ook geen recht op compensatie over die jaren. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Opzet/Grove schuld (hierna: O/GS)
Uit productie 1209006 (de brief van 20 juni 2012, ontvangen op 2 juli 2012) in het ouderdossier volgt dat belanghebbende het volgende aan de B/T heeft geschreven: “Ik wil u hierbij nogmaals mededelen dat ik geen inkomen heb. De bedragen die ik terug moet betalen gaat op dit moment niet. Wat ik kan betalen op dit moment is 100 euro per maand.” De Commissie verstaat dit bericht zo dat belanghebbende heeft verzocht om een persoonlijke betalingsregeling. De B/T heeft daarop niet gereageerd. Vaststaat dat er geen zogenoemde O/GS-kwalificatie is geweest. Desondanks adviseert de Commissie UHT om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor de jaren 2009 tot en met 2011. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door de B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie, gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor de jaren 2009 tot en met 2011 moet toekennen. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.
Proceskosten
Omdat de bestreden beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert zij tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
De Commissie adviseert om het bezwaar gegrond te verklaren. Ook adviseert de Commissie om belanghebbende een forfaitaire vergoeding, zoals hierboven is omschreven, toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter