Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15532

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 januari 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 15 augustus 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikking van 17 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA in stand te laten. De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 17 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2017 tot en met 2019. De toeslagjaren 2008 tot en met 2017 zijn door UHT beoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2022 met kenmerk UHT CHR GU aan belanghebbende medegedeeld dat zij (nog) niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 januari 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, lid 1, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 17 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2017.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 februari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 20 januari 2025 schriftelijk gereageerd.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 augustus 2025 het bezwaar aangevuld.
  • Op 15 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op
    29 augustus 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend en hierbij twee aanvullende producties overgelegd. UHT heeft daar op 3 september 2025 op gereageerd.
  • Op 11 september 2025 heeft gemachtigde aanvullend een verklaring van de werkgever van belanghebbende overgelegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Inzage onderliggende dossier
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.

De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 25 juni 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.

Beoordeling toeslagjaren 2008 tot en met 2017

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2017 af te wijzen.

Beoordeling afwijzing toeslagjaren 2008 tot en met 2014 en 2017
Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze of van hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).

De Commissie stelt op grond van de stukken vast dat er ten aanzien van het toeslagjaar 2008 één neerwaartse bijstelling van de KOT heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2009 hebben er geen neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden. Voor het toeslagjaar 2010 is sprake van één neerwaartse bijstelling van de KOT naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2011 heeft eveneens één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden naar aanleiding van een verlaging van het uurtarief en een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2012 hebben twee neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats naar aanleiding van een door of namens belanghebbende op 16 februari 2012 doorgegeven wijziging dat haar kind per 1 april 2012 naar de buitenschoolse opvang ging, met een minder aantal aan opvanguren. De tweede neerwaartse bijstelling vond plaats naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2013 hebben er twee neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats naar aanleiding van een door of namens belanghebbende op 14 november 2013 doorgegeven telefonische stopzetting van de KOT met ingang van
14 november 2013. De tweede neerwaartse bijstelling vond plaats naar aanleiding van een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2014 heeft één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden naar aanleiding van geregistreerde opvanggegevens in de KOI-viewer en een verhoging van het toetsingsinkomen. Voor het toeslagjaar 2017 heeft één neerwaartse bijstelling van de KOT plaatsgevonden naar aanleiding van een door of namens belanghebbende op 15 mei 2017 doorgeven telefonische stopzetting van de KOT met ingang van
9 juni 2017.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de behandeling van de KOT voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2014 en 2017 sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel van hardheid door B/T. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend.
Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2015 en 2016
Belanghebbende voert aan dat zij aanspraak heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid, omdat B/T heeft nagelaten informatie op te vragen over haar gewerkte uren en haar mogelijke doelgroeperschap. Zij stelt in dit verband dat zij, naast haar werkzaamheden in de zorg, in de toeslagjaren 2015 en 2016 gelijktijdig de opleiding helpende in de zorg volgde.

UHT voert aan dat weliswaar sprake was van vooringenomenheid voor de toeslagjaren 2015 en 2016, maar dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond. Volgens UHT is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende in die periode een opleiding volgde, waardoor geen sprake was van doelgroeperschap.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan haar toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht.

De Commissie stelt vast dat de KOT voor de toeslagjaren 2015 en 2016 naar aanleiding van gegevens over gewerkte uren uit de UWV-viewer neerwaarts is bijgesteld. Niet in geschil is dat deze verlaging van de KOT als vooringenomen moet worden aangemerkt. De bijstelling vond plaats in het kader van de destijds geldende 70%-regeling in de koppeling gewerkte uren (KGU) op grond van artikel 8a van het Besluit Kinderopvang. Uit het dossier volgt dat belanghebbende in 2015 857 uren heeft gewerkt en in 2016 556 uren. Op basis hiervan had zij recht op KOT over 70% van de gewerkte uren: afgerond 600 uur in 2015 en 389 uur in 2016. De Commissie is allereerst van opvatting dat deze regeling destijds op juiste wijze is toegepast.

Ten aanzien van de vraag of belanghebbende naast haar werkzaamheden een erkende opleiding volgde waardoor zij als doelgroeper aangemerkt kan worden, overweegt de Commissie als volgt.

Ter onderbouwing heeft belanghebbende een verklaring van haar werkgever overgelegd waarin staat dat zij daar in opleiding dan wel werkzaam is geweest. Daarnaast heeft zij uitkerings- en salarisspecificaties overgelegd, die volgens haar erop zouden wijzen dat zij een studie volgde. Tot slot heeft zij verwezen naar een eerdere beslissing van UHT in een, naar zij meent, soortgelijke zaak, waarin wel compensatie werd toegekend.

De Commissie overweegt dat de door belanghebbende overgelegde verklaring te algemeen van aard is en acht het aannemelijk dat deze ziet op een interne, werk gerelateerde opleiding. Een dergelijke opleiding valt niet onder een erkende opleiding als bedoeld in de Wet kinderopvang. Het lag op de weg van belanghebbende om haar stelling nader te onderbouwen met bewijsstukken, zoals een inschrijvingsbewijs bij DUO of een onderwijsinstelling. Uit de overgelegde loon- en uitkeringsspecificaties volgt evenmin een concrete aanwijzing dat belanghebbende naast haar werkzaamheden een erkende opleiding volgde. Wat betreft de verwijzing naar een eerdere UHT-beslissing merkt de Commissie op dat die situatie niet vergelijkbaar is, omdat in dat geval niet ter discussie stond dat de betrokkene zowel werkte als doelgroeper was. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan de Commissie dan ook niet anders concluderen dan dat onvoldoende steun kan worden gevonden voor het standpunt van belanghebbende dat sprake was van doelgroeperschap wegens studie.

De Commissie merkt bovendien op dat belanghebbende gedurende de bezwaarprocedure tegen de KOT-vaststelling voor 2015, waarvoor zij op 20 maart 2017 bezwaar had ingediend, door B/T bij brief van 6 mei 2017 is verzocht om nadere motivering en bewijsstukken van studieactiviteiten. Belanghebbende heeft hierop geen reactie gegeven.

Concluderend acht de Commissie het, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, niet aannemelijk geworden belanghebbende in de jaren 2015 en 2016 naast haar werkzaamheden een erkende opleiding volgde en daarmee tot de doelgroep behoorde. Gelet op het voorgaande is de Commissie van opvatting dat UHT terecht heeft beslist dat belanghebbende evident geen recht had op KOT, en daarom voor de toeslagjaren 2015 en 2016 niet voor compensatie op grond van de Wht in aanmerking komt.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende stelt dat sprake is geweest van schending van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor deze bezwaarprocedure. Nu het bezwaar volgens de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, ongegrond is komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikking van 17 januari 2024 met kenmerk UHT-DCHOA ongegrond te verklaren en de beschikking in stand te laten;
  • en geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter