Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-16435

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 november 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 7 januari 2026 om 14:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2016.
  • UHT heeft bij besluit van 21 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • Bij brief van 5 september 2024 heeft UHT aan belanghebbende de voorlopige beslissing meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een herstelregeling voor de jaren 2011 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft op 10 oktober 2014 hierop zijn zienswijze gegeven.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 21 oktober 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 3 december 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 3 september 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 2 januari en 6 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
  • Op 7 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende betoogt dat de KOT na juli 2013 aan de KOI werd uitbetaald en vervolgens een bedrag van € 3.183,- bij haar werd teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag komt boven de hardheidsdrempel van € 1.500,- uit.

Belanghebbende stelt dat toepassing gegeven dient te worden aan de hardheidsregeling. Ook stelt belanghebbende dat de KOT over de maand mei niet is toegekend, terwijl volgens de KOI-viewer in die maand wel sprake was van opvang.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk – zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT – een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat de KOT met ten minste € 1.500,- is verlaagd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende.

De Commissie zal eerst beoordelen of tenminste € 1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende, in welk geval aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. Uit het overzicht van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC-overzicht) over 2013 (productie 2700004) volgt dat een bedrag van € 10.658,- aan KOT is overgemaakt aan de kinderopvanginstelling. De totale opvangkosten waren hoger, namelijk € 10.677,04,-(KOI-viewer productie 1213009). De aan de kinderopvanginstelling uitgekeerde KOT is daarmee volledig aan belanghebbende ten goede gekomen. Dit betekent dat geen aanspraak op compensatie bestaat.

De bezwaargrond van belanghebbende slaagt niet.

Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat de KOT over de maand mei niet is toegekend, overweegt de Commissie dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet dus niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT-beschikkingen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende betoogt dat uit het LIC-overzicht 2013 blijkt dat tussen november en december 2013 een wijziging van het rekeningnummer moet hebben plaatsgevonden. Deze wijziging valt niet op te maken uit het dossier. Wanneer blijkt dat de KOT onterecht aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald en geen wijziging van het rekeningnummer heeft plaatsgevonden, dan is de hardheidsregeling van toepassing.

De Commissie is van opvatting dat uit de voorhanden zijnde stukken, waaronder de LIC-overzichten 2013 en 2014 (producties 2700004 en 2700005), voldoende aannemelijk is geworden dat de KOT voor het toeslagjaar 2014 uitsluitend is uitbetaald op het bankrekeningnummer van belanghebbende. Alhoewel sprake is van een terugvordering van meer dan € 1.500,- heeft de Commissie geen aanwijzingen gevonden voor bijzondere omstandigheden (productie 2700005). Belanghebbende komt derhalve niet in aanmerking voor compensatie op de grond van de hardheidsregeling.

Toeslagjaar 2015

Belanghebbende betwijfelt dat zij zelf de KOT per 23 januari 2015 heeft stopgezet. Verder is B/T bij de definitieve beschikking uitgegaan van de gegevens van de kinderopvanginstelling, zonder belanghebbende in de gelegenheid te stellen om het recht op KOT aan te tonen.

De B/T mocht uitgaan van die melding die door belanghebbende is gedaan om de KOT stop te zetten. Dat belanghebbende betwijfelt of zij de stopzetting zelf heeft doorgevoerd is onvoldoende om te oordelen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door van de ingekomen stopzetting door belanghebbende uit te gaan.

De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat over het toeslagjaar 2015 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2016

Belanghebbende betwijfelt, gelet op het ontbreken van het zogenoemde XML-bestand, dat zij zelf de KOT heeft stopgezet per 1 maart 2016.

De Commissie constateert dat uit de TVS-melding in het dossier blijkt dat belanghebbende de KOT op 26 februari 2016 per 1 maart 2016 heeft stopgezet (productie 2700011). B/T mocht uitgaan van die melding die door belanghebbende is gedaan om de KOT stop te zetten. Dat belanghebbende betwijfelt of zij de stopzetting zelf heeft doorgevoerd is onvoldoende om te oordelen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door van de ingekomen stopzetting door of namens belanghebbende uit te gaan.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat over het toeslagjaar 2016 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

O/GS-kwalificatie

Belanghebbende betoogt dat zij in aanmerking dient te komen voor een O/GS-tegemoetkoming. Zij stelt dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is onderbouwd aangezien de onderliggende stukken ontbreken waarop de conclusie dat geen sprake is van een O/GS-kwalificatie is gebaseerd. Dit klemt des te meer nu in het dossier wel sprake is van een FSV-melding.

Belanghebbende ontving een bijstandsuitkering en stelt dat haar een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. De heer [naam] van VluchtelingenWerk heeft namens haar telefonisch contact opgenomen met het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling. Zij kreeg in reactie de mogelijkheid om de KOT in één keer terug te betalen of in termijnen over een periode van 24 maanden (de standaard betalingsregeling). Standaard betalingsregelingen voor de toeslagjaren 2014 en 2015 liepen naast elkaar waardoor belanghebbende een groot bedrag per maand moest terugbetalen. Als gevolg hiervan kwam zij in grote financiële problemen en moest zij naar de voedselbank. Nu geen rekening is gehouden met haar persoonlijke situatie en draagkracht is sprake van O/GS.

De stelling van UHT is dat uit het dossier blijkt dat geen O/GS is vastgesteld (productie 1300001). Over onderliggende stukken O/GS beschikt UHT niet. Met betrekking tot de weigering van een persoonlijke betalingsregeling is zij van oordeel dat de beslagvrije voet niet geldt voor de KOT. Ook is er geen aanwijzing dat een FSV-registratie van invloed is geweest op het weigeren van de persoonlijke betalingsregeling. UHT stelt zich daarom op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een O/GS-tegemoetkoming.

De Commissie stelt vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. De onderliggende stukken hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken.

De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, dan moet B/T die vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan niet worden vastgesteld dat B/T de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. In zoverre slaagt de bezwaargrond.

Daarnaast volgt de Commissie belanghebbende in haar standpunt dat B/T haar een persoonlijke betalingsregeling heeft geweigerd. De Commissie hecht geloof aan het door belanghebbende gestelde dat een medewerker van Vluchtelingenwerk voor haar een persoonlijke betalingsregeling heeft gevraagd aan B/T, waarop werd gereageerd met het aanbod in één keer te betalen of in 24 maandelijkse termijnen (standaard betalingsregeling). Een dergelijk aanbod dient te worden aangemerkt als het weigeren van een persoonlijke, op de actuele situatie van de verzoeker toegesneden, betalingsregeling. Belanghebbende was dusdoende, zoals ter zitting is toegelicht door gemachtigde, gedwongen om standaard betalingsregelingen te treffen ten aanzien van toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. De Commissie zal hiervan uitgaan. Een en ander vindt bevestiging in het overzicht van het Landelijke Incasso Centrum (hierna: LIC) over 2014 (pagina 365 en 366) met maandelijkse betalingen van € 74,- en € 75,-, het LIC-overzicht over 2015 (pagina 367) met maandelijkse betalingen van € 123,- en het LIC-overzicht over 2016 (pagina 369) met maandelijkse betalingen van € 157,-. Daarbij merkt de Commissie op dat de terugbetalingen van de KOT over toeslagjaren 2014 en 2015 – vanaf april 2015 tot en met november 2015 – tegelijkertijd liepen. De Commissie kan zich voorstellen dat het op deze wijze terugbetalen van de KOT voor belanghebbende grote problemen veroorzaakte. Zeker gelet op het feit dat zij alleen een bijstandsuitkering ontving.

De Commissie adviseert UHT daarom om in dit geval, met toepassing van de hardheidsclausule in artikel 9.1 lid 1 Wht, een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht aan belanghebbende toe te kennen voor toeslagjaren 2014, 2015 en 2016. De Commissie overweegt daartoe dat de situatie waarin belanghebbende verkeerde, feitelijk gelijk is aan de situatie waarop artikel 2.6 Wht ziet. In beide gevallen is immers geen persoonlijke betalingsregeling toegekend door B/T, met grote gevolgen voor belanghebbende. Dat het O/GS-label ontbreekt, mag naar het oordeel van de Commissie in dit geval niet doorslaggevend zijn om een tegemoetkoming te weigeren.

Bovendien acht de Commissie het niet ondenkbaar dat de vermelding van belanghebbende in de FSV van invloed is geweest op de weigering van een persoonlijke betalingsregeling. Concluderend is de Commissie van oordeel dat UHT aan belanghebbende alsnog een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht voor de toeslagjaren 2014, 2015 en 2016 moet toekennen.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding met een wegingsfactor 2. In verband met samenhang stelt de Commissie de vergoeding vast op twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren;
  • een tegemoetkoming conform artikel 2.6, Wht over de toeslagjaren 2014 tot en met 2016 toe te kennen aan belanghebbende;
  • een vergoeding voor proceskosten voor deze bezwaarprocedure toe te kennen van twee punten met een wegingsfactor 2.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter