Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15746

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 december 2023 met kenmerk UHT-DCHO

Hoorzitting: 22 september 2025

Overdracht advies aan UHT: 21 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag. Dit besluit wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 82.562,- voor de jaren 2006, 2007, 2008 en 2015. Voor de jaren 2009, 2011 en 2013 is geen compensatie toegekend.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2010. Later is vastgelegd dat de jaren 2006 tot en met 2009, 2011, 2013 en 2015 zouden worden onderzocht.
  • UHT heeft bij besluit van 21 april 2022 een bedrag van € 30.000, - toegekend op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft op 12 oktober 2023 geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009, 2011 en 2013 geen recht heeft op compensatie.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal € 82.562,-. Deze compensatie betreft de toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 januari 2024 tegen het bestreden besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Deze reactie wordt hierna aangeduid als de beschouwing.
  • Op 22 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 oktober 2025, aanvullende informatie aangeleverd. UHT heeft daar op 3 november 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet is geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009, 2011 en 2013 af te wijzen.

Procedurele bezwaren: motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, volledig dossier

Gegeven de door UHT ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg per toeslagjaar – en de overige producties, waaronder het informatie- en beoordelingsformulier, betaal- en verrekenoverzichten, het SAS-rapport en de (aanvullende) schriftelijke beschouwing, is er volgens de Commissie geen strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De nadere onderbouwing van UHT omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt niet tot het herroepen ervan. De Commissie constateert dat het bezwaardossier op 23 juli 2025 digitaal is toegezonden aan belanghebbende en is van opvatting dat belanghebbende daardoor over de relevante op de zaak betrekking hebbende stukken, kon beschikken. De bezwaren treffen daarom geen doel.

Afgewezen toeslagjaren

Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat belanghebbende haar bezwaren over het toeslagjaar 2006 heeft ingetrokken en dat zij afziet van een herbeoordeling over het jaar 2015 en de daaropvolgende jaren die in het bezwaarschrift zijn bedoeld. De Commissie concludeert dat deze jaren tussen partijen niet meer in geschil zijn.

Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2009, 2011 en 2013 geen recht heeft op compensatie op basis van vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld (hierna: O/GS). In haar aanvullende beschouwing van 3 november 2025 blijft UHT bij haar standpunt. De verlagingen die in deze jaren hebben plaatsgevonden zijn volgens UHT gebaseerd op reguliere wijzigingen. Belanghebbende stelt daartegenover dat zij gedurende deze jaren heeft gewerkt en daarom over deze drie jaren recht heeft op compensatie op grond van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.

Voor de jaren 2009 en 2011 verwijst belanghebbende naar een overgelegde salarisstrook van 2014 waarop de datum van indiensttreding staat (1 oktober 2000) en naar de jaaropgave 2011 in het bezwaardossier. Verder voert zij aan dat zij nooit zelf de KOT heeft stopgezet in deze jaren.

Daarnaast volgt uit de brief van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) aan gastouderbureau (hierna: GOB) [naam gastouderbureau], gedateerd op 26 januari 2010, dat er een collectieve stopzetting is geweest die voortvloeide uit een groepsgewijze beslissing van de B/T.

De Commissie maakt uit het dossier op dat de verlagingen in 2009 en 2011 (mede) gebaseerd zijn op een stopzetting van de KOT. Uit de XML-bestanden volgt dat het BSN-nummer van belanghebbende is gebruikt voor het doorgeven van de wijzigingen. De stopzetting van 11 januari 2009 had als ingangsdatum 1 januari 2009. De Commissie acht het aannemelijk dat belanghebbende zelf deze wijzigingen heeft doorgegeven. Er zijn geen aanwijzingen voor het tegendeel. De salarisstrook van 2014 met de datum van indiensttreding 1 oktober 2000 zegt op zichzelf niets over het aantal gewerkte uren in 2009 en biedt daarom onvoldoende steun voor de stelling dat belanghebbende gedurende heel 2009 heeft gewerkt. De Commissie constateert dat de brief van 26 januari 2010 van de B/T aan GOB [naam gastouderbureau] gaat over de opschortingen en verrekeningen over 2008 en 2009. In 2008 is belanghebbende gecompenseerd op grond van hardheid van stelsel. De betalingen voor december 2008 waren geblokkeerd en hiermee was in de terugvorderingsbeschikking die belanghebbende had ontvangen geen rekening gehouden. De B/T heeft de geblokkeerde KOT voor 2008 en 2009 verrekend met de openstaande aanslagen. Er was dus geen collectieve stopzetting door de B/T. De bezwaren slagen niet.

De verlagingen in de jaren 2011 en 2013 zijn gebaseerd op reguliere wijzigingen (urenwijziging, verhoging van het uurtarief, een gewijzigd toetsingsinkomen).

De B/T mocht uitgaan van deze door belanghebbende doorgegeven wijzigingen. Dergelijke wijzigingen geven in beginsel geen aanspraak op compensatie op grond van de Wht.

De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009, 2011 en 2013 vooringenomen heeft gehandeld. Ook is de Commissie niet gebleken van hardheid van het stelsel of een onterechte O/GS-kwalificatie over deze jaren. De Commissie heeft verder geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen en acht de bezwaren ongegrond.

Vergoeding juridische kosten (component k)

UHT heeft bij de bestreden beschikking een forfaitair compensatiebedrag van in totaal € 82.562, - toegekend aan de hand van een compensatieberekening. Volgens belanghebbende is over de jaren 2006 tot en met 2008 en 2015 te weinig vergoeding voor juridische hulp toegekend (component k). Er dient rekening te worden gehouden met de indexatie per 1 januari 2024. UHT stelt dat het bedrag terecht is vastgesteld overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht met startdatum 20 december 2023 (de datum van het bestreden besluit).

Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt alleen een vergoeding toegekend voor de jaren waarvoor belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie. In het geval van belanghebbende gaat het om de toeslagjaren 2006, 2007, 2008 en 2015. De Commissie maakt uit de stukken op dat belanghebbende alleen in de jaren 2007 en 2008 gebruik heeft gemaakt van professionele juridische hulp. De Commissie is van oordeel dat UHT component k van de compensatieberekening correct heeft berekend. Het bezwaar is ongegrond.

Geen proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar de opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • de bestreden besluiten niet te herroepen;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter