BAC 2023-14076
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 juni 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 17 november 2025 om 10:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 2 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag. Deze beschikking wordt hierna aangeduid als de bestreden beschikking.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2011. In overleg met belanghebbende is het herbeoordelingsverzoek uitgebreid met het toeslagjaar 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 15 mei 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft in haar advies vermeld dat er geen reden is de compensatieregeling van toepassing te laten zijn voor de jaren 2011 en 2012.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende meegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 juli 2023, ingekomen op 10 juli 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 12 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 oktober 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 17 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- UHT heeft op 27 november 2025 twee aanvullende producties ingediend.
- Gemachtigde heeft op 1 december 2025 daarop gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Toeslagjaar 2011
Ingevolge artikel 2.1 lid 1 van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). In het toeslagjaar 2011 is sprake van vooringenomen handelen, omdat belanghebbende voorafgaand aan de nihilstelling niet door de B/T in gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen.
Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in dit jaar, omdat de toenmalige toeslagpartner van belanghebbende geen doelgroeper was. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van aan haar toerekenbare ernstige onregelmatigheden en stelt dat de bewijslast voor het doelgroeperschap van haar toenmalige toeslagpartner bij UHT ligt. Zij heeft daarnaast aangevoerd dat hij mogelijk niet het gehele jaar haar toeslagpartner was. Zij stelt dat zij niet het gehele jaar hebben samengewoond. UHT heeft in de systemen van de B/T geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat de toenmalige toeslagpartner in 2011 heeft gewerkt of dat hij een re-integratietraject volgde. Belanghebbende heeft in het gesprek met de persoonlijk zaakbehandelaar ook verklaard dat hij niet werkte en geen re-integratietraject volgde. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) volgt dat de toenmalige toeslagpartner het gehele jaar op het adres van belanghebbende stond ingeschreven. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat het aannemelijk is dat de toenmalige toeslagpartner van belanghebbende wel een doelgroeper was en dat belanghebbende daarom in aanmerking kwam voor KOT.
Volgens het eigen beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Belanghebbende stelt dat door de langdurige onzekerheid over de KOT, de onjuiste nihilstelling en de psychosociale impact op haar gezin sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. De Commissie ziet hierin of in de verdere omstandigheden van dit geval geen aanknopingspunten om te adviseren dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
Belanghebbende komt voor het toeslagjaar 2011 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2012
De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2012 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De KOT over dit jaar is in eerste instantie niet automatisch gecontinueerd. Per 2 januari 2012 is dit door de B/T hersteld en op 17 januari 2012 is de KOT alsnog aan de kinderopvanginstelling uitbetaald. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden voor de veronderstelling dat belanghebbende hiervan nadeel heeft ondervonden. De verlagingen van de KOT over het toeslagjaar 2012 vloeiden voort uit te hoge voorschotten, die op basis van reguliere wijzigingen opnieuw zijn berekend. De eerste twee verlagingen van de KOT over het toeslagjaar 2012 waren het gevolg van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen in het aantal opvanguren. Vervolgens is de KOT door een stopzetting van de KOT per 31 december 2012 nogmaals verlaagd.
Bij de definitieve vaststelling is de KOT op grond van een stijging van het toetsingsinkomen nogmaals verlaagd. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat belanghebbende recht had op meer KOT dan aan haar is toegekend. De bijstellingen over het toeslagjaar 2012 zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen sprake van een onterechte kwalificatie wegens opzet of grove schuld, zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, bestaat geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om:
- de bestreden beschikking in stand te laten;
- geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter