BAC 2023-13287
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 13 april 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 25 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 2 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van €100.451,- voor de jaren 2009, 2012 tot en met 2014, september tot en met december 2015 en 2016. Voor de jaren 2010 en 2011 en de maanden januari tot en met augustus 2015 is geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 10 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2019. In overleg met belanghebbende heeft UHT de beoordeling aangepast naar de jaren 2009 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 23 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor de maanden januari tot en met augustus 2015 is sprake van evident geen recht.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 23 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €101.557,- voor de jaren 2009, 2012 tot en met 2014, september tot en met december 2015 en 2016.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €100.451, voor de jaren 2009, 2012 tot en met 2014, september tot en met december 2015 en 2016. Voor de jaren 2010 en 2011 heeft UHT geen compensatie toegekend.
- Belanghebbende heeft bij brief van 25 mei 2023, , tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 25 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009, 2012 tot en met 2014, september tot en met december 2015 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2011 en de maanden januari tot en met augustus 2015 af te wijzen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat het bezwaardossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling gecompenseerde jaren 2009, 2012 tot en met 2016
In het kader van de algehele heroverweging heeft UHT de compensatieberekening per toegekend jaar beoordeeld en een bijlage ‘Compensatieberekening’ opgesteld.
Over onderdeel a (de grondslag) van de compensatieberekening merkt UHT over toeslagjaar 2016 op dat in de compensatieberekening (productie 10) het bedrag aan KOT moest worden berekend, omdat beschikkingen met bedragen over dit toeslagjaar ontbreken (productie 73). De berekening is weergegeven in productie 65 en zij komt de Commissie juist voor.
Verder erkent UHT dat einddatum van de vergoeding voor immateriële schade (component n) onterecht is vastgesteld op 17 april 2023. De datum van de compensatiebeschikking is 13 april 2023. Dit heeft echter geen consequenties voor de hoogte van de vergoeding immateriële schade. De berekeningsperiode beslaat afgerond 116 maanden hetgeen overeenkomt met 20 halve jaren: 20 x € 500 (per half jaar) = € 10.000. Deze berekening komt de Commissie eveneens juist voor.
Met betrekking tot de rente over gemiste KOT (component o) erkent UHT dat de einddatum over toeslagjaar 2009 onjuist is vastgesteld op 17 april 2023, in plaats van 13 april 2023. De datum zal ongewijzigd blijven, omdat wijziging een verslechtering voor belanghebbende zou opleveren. Dit geldt ook voor de toeslagjaren 2012 tot en met 2016. De Commissie stemt hiermee in.
Beoordeling van de afgewezen jaren 2010 en 2011
Belanghebbende stelt dat zij het niet eens is met de afwijzing van de compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2010 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van de KOT over het toeslagjaar 2010 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Daarbij ging het om de stopzettingen per 1 januari 2010 en 1 november 2010. Het voorschot is door de reguliere wijzigingen opnieuw berekend. In 2011 heeft geen terugvordering plaatsgevonden.
Eerder genoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Evident geen recht in de periode januari tot en met augustus 2015
De Commissie stelt vast dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2015 deels gecompenseerd is over de maanden september tot en met december. Voor de maanden januari tot en met augustus 2015 is sprake van evident geen recht, aldus UHT. Hierover overweegt de Commissie dat ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht voor een compensatie in aanmerking komt, de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.
Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT deed dit zich voor in de maanden januari tot en met augustus 2015 aangezien belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden.
Volgens het beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor de maanden januari tot en met augustus 2015 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderzoek door Samenloopteam toeslagjaren 2009 tot en met 2016
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde aangevoerd dat de hoogte van de KOT destijds onjuist is berekend voor de toeslagjaren 2009 tot en met 2016. Gemachtigde heeft UHT verzocht de KOT voor deze jaren opnieuw te berekenen, omdat dit onder meer kan leiden tot een ander bedrag onder a in de compensatieberekening voor de toegekende jaren.
UHT heeft op de hoorzitting toegezegd om de toeslagjaren 2009 tot en met 2016 voor te leggen aan het Samenloopteam, zodat kan worden onderzocht of de KOT in die jaren correct is vastgesteld, aangezien gemachtigde aanzienlijke verschillen in de hoogte van de KOT heeft geconstateerd.
De Commissie heeft hiermee tijdens de zitting ingestemd en aan beide partijen meegedeeld dat zij hierover geen inhoudelijk advies zal uitbrengen. De Commissie adviseert UHT de uitkomst van het onderzoek van het Samenloopteam te betrekken bij de beslissing op bezwaar ten aanzien van belanghebbende.
Geen mogelijkheid om zienswijze in te dienen
Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting betoogd dat belanghebbende geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de voorgeschreven gang van zaken is, belanghebbende in deze bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en van bewijsstukken te voorzien. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat belanghebbende verder niet heeft aangevoerd welk nadeel zij door dit nalaten heeft gehad, adviseert de Commissie om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderliggende stukken FSV, O/GS en discriminatie
Belanghebbende heeft verzocht de stukken die ten grondslag liggen aan de beoordeling van de FSV, O/GS en discriminatie aan haar te verstrekken.
De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. De Commissie adviseert UHT aan belanghebbende een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie over een vermelding van belanghebbende in de FSV-lijst te verstrekken bij de beslissing op bezwaar.
UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. De Commissie heeft geen aanleiding gevonden om aan de juistheid van het door UHT gestelde te twijfelen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De Commissie overweegt verder dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. De compensatiebeschikking gaat uit van forfaitaire bedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden.
Bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan er een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie.
Werkelijk geleden schade
Belanghebbende betoogt dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. Ook heeft zij UHT verzocht om het bezwaarschrift aan de CWS door te zenden. De Commissie betreurt hetgeen belanghebbende heeft meegemaakt, maar overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de CWS bestemd. De Commissie verzoekt belanghebbende om een verzoek in te dienen bij de CWS.
Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter