Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2021-02119

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 oktober 2022 (UHT-DH A en UHT-DC-I A)

Hoorzitting: 14 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 2 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen de besluiten van 14 oktober 2022 met de kenmerken UHT-DH A en UHT-DC-I A ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2017 en 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 en 2018.
  • UHT heeft bij besluit van 26 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017 en 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 28 september 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 23 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet binnen de gestelde termijn op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Termijnenoverschrijding
Gemachtigde wijst erop dat UHT de beslistermijnen overschrijdt. Zij vraagt de Commissie om daarover een signaal af te geven. De Commissie wijst erop dat de wet de termijnen stelt. Het bieden van een structurele, collectieve oplossing voor de termijnproblemen van UHT, kan alleen de wetgever. Aan de gedupeerde ouders wordt nu alleen de mogelijkheid geboden om bij termijnoverschrijding na een ingebrekestelling, een beroep niet tijdig beslissen in te dienen, hetgeen belanghebbende dan ook heeft gedaan.

Persoonlijk dossier
Gemachtigde stelt dat het volledige persoonlijke dossier van belanghebbende nog altijd niet is toegezonden.

De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie/beschouwing vergezeld is gegaan van stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de bestreden beschikkingen. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie tekent hierbij nog aan dat de stukken behorende tot het zogenoemde ‘persoonlijk dossier’ niet per definitie samenvallen met de op de zaak betrekking hebbende stukken, als hiervoor bedoeld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikking
Gemachtigde stelt dat sprake is van vooringenomen handelen aangezien de definitieve KOT-beschikkingen zonder duidelijke redenen buiten de termijn van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop recht op compensatie. Hoewel overschrijding van termijnen onwenselijk is, ziet de Commissie in die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en overweegt dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Persoonlijke betalingsregeling
Belanghebbende stelt dat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is aangeboden. De Commissie merkt op dat uit het dossier niet blijkt dat belanghebbende heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling en ook uit andere omstandigheden is dit niet aannemelijk geworden. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Geen compensatie
Belanghebbende stelt dat hij wel recht heeft op compensatie.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2017 en 2018 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel als bedoeld in de Wht. De (hoogte van de) terugvorderingen KOT zijn door UHT in de schriftelijke reactie nader onderbouwd en deze komen voort uit reguliere wijzigingen.

De bijstellingen zijn daarmee conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven, gelet op artikel 2.1, lid 1, onder b Wht, in beginsel geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Belanghebbende komt voor deze jaren dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende heeft tijdens deze bezwaarprocedure kenbaar gemaakt dat hij ook over de jaren 2019, 2020 en 2021 een herbeoordeling wenst. De Commissie kan hierover pas een advies uitbrengen, als UHT na de herbeoordeling van deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan hij, indien hij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen de besluiten van 14 oktober 2022 met de kenmerken UHT-DH A en UHT-DC-I A ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter