Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15797

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 7 augustus 2024 (UHT-DCHO)

Hoorzitting: 28 november 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 18 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, compensatie op grond van vooringenomenheid aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2013 en een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 7 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHO.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 13.493 voor de maanden januari tot en met september 2014 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2013, de maanden oktober tot en met december 2014 en de toeslagjaren 2018 en 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013, 2019 en 2020. In overleg met belanghebbende heeft de herbeoordeling zich uitgestrekt over de toeslagjaren 2013, 2014, 2018 en 2019.
  • UHT heeft bij de definitieve beschikking van 7 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHO aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €13.493 voor de maanden januari tot en met september 2014 op grond van vooringenomenheid. Omdat belanghebbende reeds € 30.000 heeft ontvangen op grond van de Catshuisregeling volgde geen nabetaling. Daarnaast heeft UHT bij deze beschikking geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2013, de maanden oktober tot en met december 2014 en de toeslagjaren 2018 en 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 augustus 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 4 april 2025 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 27 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Bij e-mail van 17 november 2025 heeft gemachtigde de aanvullende bezwaargronden van 4 april 2025 nader toegelicht. UHT heeft daarop bij e-mail van 19 november 2025 gereageerd.
  • Op 28 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Gemachtigde heeft ter zitting, daarnaar gevraagd, verklaard dat de omvang van het geschil is beperkt tot het toeslagjaar 2013. De Commissie ziet zich dus gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om voor dit toeslagjaar compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Belanghebbende stelt primair dat B/T vooringenomen heeft gehandeld door op 20 januari 2014 een stopbrief aan haar te zenden vanwege het ontbreken van betaalbewijzen van de eigen bijdrage. Zij voert daartoe aan dat hiermee is voorbijgegaan aan haar verklaring dat zij geen eigen bijdrage aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) verschuldigd was. Subsidiair stelt belanghebbende dat de hardheidsregeling van toepassing is, omdat zij het stopzetten van de KOT vanwege het niet betalen van de eigen bijdrage disproportioneel acht. UHT stelt dat betaling van een eigen bijdrage een voorwaarde is voor het recht op KOT en dat geen sprake is van hardheid, omdat niet minimaal € 1.500 te veel KOT (ten opzichte van de opvangkosten) aan de KOI is overgemaakt.

De Commissie stelt op basis van de stukken vast dat de KOT in het toeslagjaar 2013 aanvankelijk op € 4.981 is vastgesteld. Belanghebbende heeft desgevraagd bewijsstukken aan B/T gestuurd, met uitzondering van de gevraagde betaalbewijzen van de eigen bijdrage, maar heeft – onder verwijzing naar een verklaring van de KOI – toegelicht dat geen eigen bijdrage verschuldigd was. Desondanks heeft B/T bij brief van 20 januari 2014 meegedeeld dat de KOT zou worden stopgezet vanwege het ontbreken van bewijsstukken. Het bezwaar van belanghebbende daartegen werd op 9 juni 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard.

De Commissie wijst in dit verband op de uitvoeringspraktijk van UHT op dit punt, neergelegd in paragraaf 3.1.7 van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, waarin het volgende is bepaald:

“3.1.7 Stopbrief-beschikking

De stopbrief is te kwalificeren als een beschikking, namelijk een besluit van BD/T dat schriftelijk wordt verstrekt aan de ouder en dat voor die ouder rechtsgevolgen heeft. Voor deze kwalificatie is het niet van belang of de KOT uiteindelijk ook daadwerkelijk is verlaagd of teruggevorderd. De stopbrief wordt daarom aangemerkt als een nihil-beschikking.

De stopbrief(beschikking) is vaak aan ouders verstuurd wanneer BD/T geen reactie ontvangen heeft op eerdere uitvragen. Het onterecht zenden van een stopbrief is aan te merken als vooringenomen handelen door BD/T. Compensatie wegens dit vooringenomen handelen blijft - ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef, van de Wet hersteloperatie toeslagen – achterwege indien de aanvrager van kinderopvangtoeslag geen (materiële of immateriële) schade heeft geleden.

Indien BD/T de verlaging heeft hersteld en nooit is overgegaan tot invordering of verrekening, mag compensatie wegens vooringenomen handelen daarom in de volgende gevallen achterwege blijven:

  • Indien het herstel heeft plaatsgevonden binnen zes weken na de dagtekening van de stopbrief (door BD/T zelf of na reactie van de ouder). Dan mag ervan worden uitgegaan dat de ouder geen schade heeft geleden, tenzij de ouder het tegendeel aannemelijk maakt, of
  • Indien de ouder uitdrukkelijk verklaart dat hij zich destijds niet gedupeerd heeft gevoeld. Anders wordt verondersteld dat de ouder na de termijn van zes weken wel (materiële of immateriële) schade heeft geleden.”

Geplaatst tegen deze achtergrond wijst de Commissie erop dat UHT ter zitting zelf heeft verklaard dat de stopbrief van 20 januari 2014 ten onrechte aan belanghebbende is verzonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat pas na een periode van meer dan zes weken, te weten bij beschikking van 9 juni 2014, aan deze onterechte stopzetting door UHT een eind is gemaakt. Hieruit volgt, gelet op de hiervoor aangeduide uitvoeringspraktijk, dat belanghebbende wordt verondersteld, in dit geval, immateriële schade te hebben geleden, hetgeen belanghebbende ook uitdrukkelijk heeft betoogd. Van omstandigheden waarom bovenvermelde uitvoeringspraktijk niet op het onderhavige geval van toepassing zou zijn, is naar de opvatting van de Commissie niet gebleken.

Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bestreden beschikking te herroepen en om alsnog over te gaan tot compensatie aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2013 op grond van vooringenomenheid.

Forfaitaire compensatieberekening januari tot en met september 2014

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing van 27 mei 2025 en de daarbij gevoegde toelichting op de compensatieberekening aangegeven dat de compensatieberekening over de periode januari tot en met september 2014 ten voordele van belanghebbende dient te worden aangepast. De Commissie stelt vast dat de juistheid van deze aanpassing niet in geschil is. De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening bij de beslissing op bezwaar conform de gedane toezegging aan te passen.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand

Met betrekking tot een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand overweegt de Commissie het navolgende. Ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) worden die kosten alleen vergoed als de bestreden beschikking wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Op grond van de op dit punt heersende rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRVB 9 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3140, JB 2021/25), is sprake van herroepen in de zin van artikel 7:15, lid 2, van de Awb als het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het met dat besluit beoogde rechtsgevolg. De aanpassing van de compensatieberekening heeft mogelijk niet tot gevolg dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan compensatie dan de al eerder uitgekeerde € 30.000. De aanpassing van de compensatieberekening heeft alsdan wel tot gevolg dat het vertrekpunt voor een eventuele procedure over aanvullende compensatie voor de werkelijke schade verandert. De Commissie is daarom, in lijn met de genoemde rechtspraak en gelet op het systeem van de Wht, van mening dat er sprake is van een wijziging die rechtsgevolg heeft.

Daarom adviseert de Commissie aan UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de hiervoor opgeworpen vraag ontkennend beantwoordend, UHT als volgt:

  • het bezwaar gericht tegen de beschikking van 7 augustus 2024 met kenmerk UHT-DCHO gegrond te verklaren; en om:
  • op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie aan belanghebbende toe te kennen voor het toeslagjaar 2013 en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
  • de compensatieberekening aan te passen conform de door UHT gedane toezeggingen en de, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum van de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de bestreden beschikking in zoverre te herroepen;
  • een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter