BAC 2025-15468
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 1 september 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 27 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 en 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 18 juni 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016. De aanvraag voor herbeoordeling is vervolgens beperkt tot de toeslagjaren 2009 en 2010.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 januari 2024 aan Dienst Toeslagen toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van art. 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de jaren 2009 en 2010.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 en 2010.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 februari 2024, ingekomen op 22 februari 2024, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 8 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, bij e-mail van 2 september 2025 antwoord gegeven op vragen van de Commissie. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gemachtigde daar niet meer op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De op de zaak betrekking hebbende stukken c.q. het Ouderdossier en de beschouwing van UHT zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft op de voet van artikelen 7:4 lid 2 Awb en 5.2 leden 3 en 4 Wht voorafgaand aan de zitting kennis kunnen nemen van de (afschriften van de) op de zaak betrekking hebbende stukken. Hierdoor heeft belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking en is zij in de gelegenheid geweest om daarop te reageren. Met de schriftelijke reactie, de uitleg ter zitting en de op de zaak betrekking hebbende stukken, heeft UHT het bestreden besluit voldoende onderbouwd. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belangenafweging
Belanghebbende stelt dat UHT haar belangen onvoldoende heeft meegewogen bij het bestreden besluit. De Commissie overweegt daartoe als volgt. Nu de Wht van toepassing is, kan niet exceptief getoetst worden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet (ten volle) door de wetgever zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever (contra legemtoets). Dit betekent dat als uitgangspunt dient te gelden dat UHT geen ruimte heeft om een belangenafweging te maken, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet verdisconteerd zijn in de Wht. Belanghebbende heeft niet gesteld dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen, terwijl de Commissie daarvan ook niet is gebleken. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2009 en 2010
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2009 en 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De wijziging van de KOT over toeslagjaar 2009 was het gevolg van de vaststelling van het toetsingsinkomen door de Belastingdienst. Dit is een reguliere wijziging die niet aangemerkt wordt als vooringenomenheid. De wijziging van de KOT over toeslagjaar 2010 was het gevolg van een doorgegeven wijziging van belanghebbende. Ook dit is een reguliere wijziging die niet aangemerkt wordt als blijk van vooringenomen handelen. Over toeslagjaren 2009 en 2010 hebben geen terugvorderingen of verrekeningen plaatsgevonden, zodat belanghebbende niet geconfronteerd is geweest met hardheid van het stelsel. Verder bevat het dossier geen aanknopingspunten die de stelling van belanghebbende aannemelijk maakt dat zij KOT heeft moeten terugbetalen. Wel bevat het dossier aanknopingspunten die veronderstellen dat belanghebbende heeft moeten terugbetalen voor andere toeslagen dan KOT, maar deze toeslagen vallen niet onder de reikwijdte van de Wht zodat die terugbetalingen geen grondslag voor compensatie kunnen opleveren. Ook was er voor beide toeslagjaren geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. UHT heeft, na verkregen toestemming van de gemachtigde van de toeslagpartner van belanghebbende, op zowel de naam van de toeslagpartner van belanghebbende als op de naam van belanghebbende zelf, in haar systemen gezocht naar telefoonnotities die betrekking hebben op toeslagjaren 2009 en 2010. UHT heeft geen telefoonnotities gevonden. Nu dit deze extra zoektocht geen nadere aanknopingspunten heeft opgeleverd , moet de Commissie constateren dat er geen begin van aannemelijkheid is voor hetgeen door belanghebbende gesteld is over de gang van zaken. De Commissie moet het doen met de gegevens die wel blijken uit de tijdlijn en de beschikkingen over deze jaren; deze gegevens geven geen aanknopingspunten om een begin van aannemelijkheid van de stellingen van belanghebbende aanwezig te kunnen achten. De Commissie acht het bezwaar ongegrond.
Bezwaarprocedure
Belanghebbende stelt dat zij een bezwaarschrift heeft ingediend en dat het niet duidelijk is wat de Belastingdienst daarmee heeft gedaan. UHT meldt hierover in haar beschouwing dat uit de systemen van B/T niet blijkt dat belanghebbende op enig moment in bezwaar is gegaan. UHT heeft na verkregen toestemming van de gemachtigde van de toeslagpartner van belanghebbende, op zowel de naam van de toeslagpartner van belanghebbende als op de naam van belanghebbende zelf, in haar systemen gezocht naar een bezwaarschrift. Dit heeft geen resultaat opgeleverd. Nu belanghebbende haar stelling omtrent het bezwaarschrift niet heeft geconcretiseerd, bijvoorbeeld door aan te geven op welke datum het bezwaarschrift is ingediend, tegen welke KOT-beschikking het was gericht, wat de gronden ervan waren, en wat de relevantie ervan is voor deze procedure, heeft de Commissie geen aanknopingspunten kunnen vinden om nader onderzoek te doen. De Commissie acht ook dit deel van het bezwaar ongegrond.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter