Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15739

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 9 november 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 23 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend van € 1.427 over de maanden januari tot en met september 2012 en geen compensatie toegekend over de maanden oktober tot en met december 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 juni 2022 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over toeslagjaar 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 september 2022, met kenmerk UHT CHR MGU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 januari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat met betrekking tot de maanden oktober tot en met december 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 17 juli 2023, met kenmerk UHT-VCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 1.417.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 9 november 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 1.427 wegens vooringenomenheid over de maanden januari tot en met september 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 4 december 2023, ingekomen op 6 december 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 27 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft het bezwaarschrift op 16 oktober 2025 aangevuld.
  • Op 23 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen.

Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.

Werkelijke schade

Belanghebbende stelt dat zijn werkelijk geleden schade hoger is dan het definitieve compensatiebedrag. De Commissie overweegt hierover als volgt.

Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is een andere procedure, waarin door UHT advies wordt gevraagd aan de Commissie Werkelijke Schade, bestemd.

Recht op compensatiebedrag van € 30.000

Belanghebbende stelt dat aan hem ten onrechte niet een compensatiebedrag van € 30.000 is toegekend maar slechts een bedrag van € 1.427. Volgens belanghebbende heeft UHT per e-mail toegezegd dat het recht op compensatie van belanghebbende (€ 1.427) zou worden aangevuld tot het bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling. De partner van belanghebbende had ook recht op compensatie (ter zake van KOT over andere jaren). Aan haar zou daarnaast een compensatiebedrag van € 15.874 worden toegekend. Belanghebbende en zijn partner hebben met B/T afgesproken, dat het aan de partner toegekende bedrag niet zou worden aangevuld tot € 30.000 en het aan belanghebbende toegekende bedrag wel. Belanghebbende heeft interne mailwisselingen van UHT overgelegd en een e-mail van de persoonlijk zaakbehandelaar waarin zij bevestigt dat belanghebbende een bedrag van € 30.000 zal ontvangen en zijn partner een bedrag van € 15.874. Belanghebbende beroept zich op het vertrouwensbeginsel.

Volgens belanghebbende had UHT haar toezegging moeten nakomen en het aan hem toegekende bedrag aan moeten vullen tot € 30.000. Door toch anders te beslissen is het vertrouwensbeginsel geschonden. Ook is dit punt volgens belanghebbende onvoldoende gemotiveerd in de bestreden beschikking.

Ter zitting heeft belanghebbende medegedeeld, dat € 30.000 is uitbetaald op zijn rekening. Dit bedrag omvatte volgens B/T zowel de compensatie aan hem van €1.427 als die aan zijn partner van € 15.874, tezamen aangevuld tot € 30.000. De partner van belanghebbende heeft ook bezwaar gemaakt en maakt aanspraak op betaling van € 15.874 (naast het betaalde bedrag van € 30.000). Dit bezwaar komt in een andere bezwaarprocedure aan de orde.

Belanghebbende heeft bij zijn aanvullende bezwaargronden van 16 oktober 2025 als productie 3 een e-mail overgelegd van [naam] (de persoonlijk zaaksbehandelaar) van UHT van 16 mei 2023 waarin onder meer het volgende staat: “Nu willen we ruimhartig compenseren en is bedacht dat wij de compensatie van de heer [naam] ad. € 1.412 zouden willen aanvullen tot €30.000, de zogeheten Catshuisregeling. Mevrouw [naam] krijgt daarnaast dan ook haar bedrag €15.874. In totaal krijgt het gezin dan €45.874.”

In de vooraankondiging van UHT 17 juli 2023 staat onder meer:

“U en uw partner komen beiden in aanmerking voor één van de herstelregelingen. Aan u is uitgelegd dat gedupeerde ouders recht hebben op het minimale bedrag van € 30.000 in het kader van de Wet Hersteloperatie Toeslagen. In het telefoongesprek is aangegeven dat een gedupeerde ouder met een toeslagpartner slechts één keer in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000. (…)

  • Voorlopige compensatiebedrag van uw partner: € 15.943
  • Uw voorlopige compensatiebedrag: € 1.417
  • Totaal voorlopige compensatiebedrag: € 17.360
  • BIJ: aanvulling o.b.v. forfaitair bedrag (Catshuisregeling): € 12.640
  • TOTAAL te ontvangen compensatie: € 30.000

In ons telefoongesprek heb ik ook aangegeven dat het voorlopige compensatiebedrag voor u en uw partner in totaal uitkomt op circa € 17.360. Aangezien u en uw toeslagpartner en u hebben besproken dat er aan u € 30.000 wordt overgemaakt, zal aan uw partner geen bedrag meer worden uitbetaald.”

De Commissie is van oordeel dat wat er ook zij van de discrepantie tussen het gestelde in de genoemde e-mail van 16 mei 2023 en in de vooraankondiging van 17 juli 2023, jegens belanghebbende geen sprake kan zijn van schending van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft immers het hem (in zijn visie) in genoemde e-mail toegezegde bedrag van € 30.000 ontvangen. Of de partner van belanghebbende daarnaast aanspraak heeft op enige betaling op grond van in meergenoemde e-mail van 16 mei 2023 van de zaaksbehandelaar opgewekt vertrouwen, kan aan de orde worden gesteld in de door de partner van belanghebbende geëntameerde bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar in deze procedure ongegrond te verklaren.

Recht op compensatie over oktober tot en met december 2012

Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende navraag heeft gedaan om zijn recht op compensatie over de periode oktober tot en met december 2012 te kunnen vaststellen Er is geen nadere informatie opgevraagd bij belanghebbende en UHT heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van opvanggegevens over deze maanden losstaat van het vooringenomen handelen door B/T in de overige maanden van toeslagjaar 2012. UHT heeft volgens belanghebbende ten onrechte geoordeeld dat geen recht op compensatie bestaat over de periode oktober tot en met december 2012 vanwege evident geen recht op KOT.

UHT heeft toegelicht dat belanghebbende de KOT zelf heeft stopgezet per 1 oktober 2012 en dat uit de KOI-viewer blijkt dat in de maanden oktober tot en met december 2012 geen geregistreerde opvang is afgenomen.

De Commissie overweegt dat zich in het dossier (pagina 151) een door belanghebbende ondertekend stuk bevindt waarin hij de KOT met ingang van 1 oktober 2012 stop zet.

Belanghebbende heeft niet betwist dat dit stuk door hem is ondertekend en evenmin gesteld dat geen geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden in de periode oktober tot en met december 2012. Nu de stopzetting door belanghebbende zelf was gedaan en uit de KOI-viewer bleek dat er geen geregistreerde opvang was genoten, behoefde B/T, anders dan belanghebbende suggereert, geen verdere navraag te doen. UHT heeft daarom naar het oordeel van de Commissie terecht geconcludeerd dat sprake is van evident geen recht op KOT over de periode oktober tot en met december 2012 en dat er daarom ook geen recht op compensatie over deze periode bestaat. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Hardheidsclausule

Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte niet heeft gemotiveerd of toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht in deze zaak geboden is.

De Commissie overweegt dat toepassing van de hardheidsclausule slechts aan de orde is indien strikte toepassing van de wet of de beleidsregels zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit geval is aan belanghebbende compensatie toegekend over de periode januari tot en met september 2012, terwijl over de maanden oktober tot en met december 2012 naar het oordeel van de Commissie terecht geen compensatie is toegekend, omdat sprake is van een stopzetting van de kinderopvangtoeslag en geen geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. Er zijn geen aanwijzingen dat in dit jaar sprake is geweest van bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden die niet reeds in de toegekende compensatie zijn verdisconteerd. De Commissie komt hierdoor tot de conclusie dat geen sprake van een situatie is waarin een beroep op de hardheidsclausule kan slagen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

UHT heeft de compensatieberekening gecontroleerd en is tot de conclusie gekomen dat een aantal componenten onjuist zijn vastgesteld. Deze componenten worden hieronder behandeld.

Hoogte van de KOT voorafgaand aan de onterechte neerwaartse bijstelling (component a) en daarmee samenhangende componenten

UHT is tot de conclusie gekomen dat component a onjuist is vastgesteld. UHT heeft het bedrag aan KOT voorafgaand aan de neerwaartse bijstelling voor het gehele toeslagjaar 2012 als uitgangspunt genomen. Nu compensatie slechts is toegekend over de periode januari tot en met september 2012, had het bedrag aan KOT voorafgaand aan de neerwaartse bijstelling naar rato moeten worden berekend over deze maanden. Omdat de onjuiste berekening in het voordeel van belanghebbende is, is UHT voornemens om component a en de daarmee samenhangende componenten c en e in stand te laten. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de componenten a, c, en e in stand te laten.

Rentevergoeding over gemiste KOT (component o)

Volgens UHT is de rentevergoeding onjuist en in het nadeel van belanghebbende vastgesteld (vastgesteld is € 208; het juiste bedrag is € 209). UHT is voornemens om de hoogte van de rentevergoeding over gemiste KOT te corrigeren in de beslissing op bezwaar. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de berekening van de rentevergoeding te corrigeren zoals voorgesteld in de bijlage compensatieberekening bij de beschouwing.

Vergoeding voor immateriële schade

Nu de rentevergoeding over gemiste KOT dient te worden aangepast, is UHT voornemens om de einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT en adviseert de einddatum voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de dagtekening van de beslissing op bezwaar.

Aanvullende vergoeding van 1%

Nu de rentevergoeding over gemiste KOT en de vergoeding voor immateriële schade aangepast dienen te worden, adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal opnieuw te berekenen.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie (deels) gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een vergoeding voor de kosten van rechtskundige bijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • Het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH, gegrond te verklaren in die zin dat:
    • De rentevergoeding over gemiste KOT over toeslagjaar 2012 wordt aangepast zoals weergegeven in de bijlage compensatieberekening;
    • De einddatum voor de vergoeding voor immateriële schade wordt vastgesteld op de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
    • De aanvullende vergoeding van 1% wordt aangepast;
  • De overige bezwaren ongegrond te verklaren;
  • Een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter