BAC 2025-15718
Publicatiedatum 26-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 april 2024 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 12 november 2025
Overdracht advies aan UHT: 27 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie KOT.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2014 tot en met 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT (hierna: KOT) voor de jaren 2014 tot en met 2019. De jaren 2014 tot en met 2016 zijn betrokken in de herbeoordeling.
- UHT heeft bij besluit van 6 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 maart 2024 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2014 tot en met 2016.
- Belanghebbende heeft bij brief van 27 mei 2024, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 april 2025 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 19 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 10 november 2025, het bezwaarschrift aangevuld. Op 11 november 2025 heeft gemachtigde nogmaals een aantal aanvullende stukken ingestuurd.
- Op 12 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de afwijzing van het verzoek om compensatie of een tegemoetkoming voor toeslagjaar 2015 in geschil is.
Vooringenomen handelen Toeslagpartner
Belanghebbende stelt dat een deel van de KOT over 2015 bij beschikking van 11 maart 2016 is verlaagd omdat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna B/T) eigener beweging, maar ten onrechte, aan het dossier heeft toegevoegd dat sprake was van een toeslagpartner en dat deze neerwaartse correctie ten onrechte niet is hersteld.
Belanghebbende betwist daarnaast dat het bijschrijven van deze toeslagpartner aan belanghebbende kon worden toegerekend. Daarbij heeft belanghebbende op de hoorzitting naar voren gebracht dat zij in een noodopvang verbleef - waar het hebben van een toeslagpartner niet mogelijk is - en dat B/T hiervan op de hoogte was.
UHT stelt zich op het standpunt dat de wijziging is doorgevoerd naar aanleiding van informatie die de gemeente heeft verstrekt. Het voorschot is echter op 1 april 2016 hersteld van €10.388,- naar €10.403,-.
De Commissie overweegt dat B/T bij het nemen van de beschikking van 11 maart 2016 kennelijk is uitgegaan van informatie van de gemeente waaruit volgt dat belanghebbende een huisgenoot had in de maand januari 2015. B/T mag in beginsel van de juistheid van dergelijke informatie uitgaan. Uit de beschikking van 1 april 2016 volgt echter dat B/T tot het nadere inzicht was gekomen dat geen sprake was van een toeslagpartner omdat is uitgegaan van een foutief adres. De Commissie is van oordeel dat deze gang van zaken niet duidt op vooringenomen handelen door B/T, te meer omdat de fout spoedig, namelijk binnen een maand, is gecorrigeerd.
Eerste week van januari
Belanghebbende heeft aangevoerd dat in de definitieve KOT-beschikking voor de eerste week van januari 2015 ten onrechte geen KOT is toegekend terwijl zij in die week wel kinderopvang heeft afgenomen, namelijk bij kinderopvang [naam]. Belanghebbende stelt dat het door B/T opgestuurde antwoordformulier onvolledig was. Zo ontbrak bij de voor vermelde instellingen kinderopvang [naam] en stond er verder een onbekende kinderopvanginstelling op dit antwoordformulier, namelijk [naam]. Belanghebbende stelt dat B/T informatie had moeten opvragen bij haar over de opvang die in de eerste week van januari is afgenomen, gelet op het feit dat in het voorgaande jaar tot en met december opvang bij kinderopvang [naam] werd afgenomen. Ook UHT vindt dat uitvraag gedaan moet worden, gelet op pagina 19 ouderdossier. Nu er geen uitvraag heeft plaatsgevonden is sprake van een vooringenomen handeling.
UHT stelt zich echter op het standspunt dat uit de door belanghebbende aangeleverde informatie, de KOI-viewer en overige systemen niet is gebleken dat er in de eerste week van januari kinderopvang is afgenomen. Daarnaast betekent volgens UHT het feit dat B/T een verkeerde opvanginstelling op het antwoordformulier heeft ingevuld niet dat er een uitvraag had moeten plaatsvinden. UHT stelt dat dit niet maakt dat sprake is geweest van een vooringenomen handeling.
De Commissie overweegt hierover als volgt. De vraag die voorligt is of B/T mocht afgaan op het door belanghebbende zelf ingestuurde antwoordformulier of dat B/T navraag had moeten doen bij belanghebbende over de ontbrekende week opvang. De Commissie stelt vast dat kinderopvang [naam] niet staat voor ingevuld op het antwoordformulier, terwijl dit in het antwoordformulier over 2014 wel zo is. Tegelijkertijd is het LRK-nummer voor [naam kinderopvanginstelling] en kinderdagverblijf [naam] hetzelfde: 143665832. Bovendien is er ruimte op het formulier om een ontbrekende kinderopvanginstelling in te vullen en is hier in het formulier op gewezen. Voor het door B/T invullen van “Kinderdagverblijf [naam]” op het antwoordformulier ontbreekt een verklaring of aanknopingspunt. Denkbaar is dat het samenhangt met de verschillende benamingen van de kinderopvanginstelling ([naam], [naam] en [naam]), maar dat is tijdens de behandeling niet helder geworden. Het heeft er naar de Commissie meent alle schijn van dat sprake is van een kennelijke fout. Uit het dossier en uit de tijdens de hoorzitting naar voren gebrachte feiten blijkt niet dat B/T destijds verwijtbaar of onzorgvuldig heeft gehandeld door af te gaan op de door belanghebbende verstrekte gegevens. Evenmin zijn er andere aanknopingspunten om te kunnen aannemen dat in dit geval sprake is van vooringenomen handelen door B/T, en dat is nodig om op die grond aanspraak te maken op vergoeding. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Hardheid
Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T de KOT is blijven verrekenen, terwijl uit het bezwaar van 13 augustus 2016 tegen de verrekening volgde dat belang-hebbende onder de beslagvrije voet uitkwam. Belanghebbende stelt dat daarom sprake is van hardheid.
De Commissie overweegt hierover dat uit het LIC-overzicht over 2015, maar ook uit de LIC-overzichten over 2014 en 2016, niet blijkt dat verrekeningen hebben plaatsgevonden. Reeds daarom slaagt de bezwaargrond niet.
De Commissie voegt hieraan nog toe dat uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling niet kan worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. Dat is ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting. Daarin staat: Bij gedupeerden door een onterechte O/GS-kwalificatie waren de terugvorderingen op zichzelf niet onterecht, dus deze worden niet gecompenseerd. Wel krijgen de ouders een financiële tegemoetkoming voor het ondervonden nadeel van 30% van de betreffende terugvorderingen (Kamerstukken II 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 14). Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Hieruit volgt dat de Commissie ook om deze reden niet toekomt aan de bezwaargrond dat B/T bij de verrekeningen geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overige bezwaren
Belanghebbende betwist de volledigheid van de LIC-overzichten over de jaren 2014 tot en met 2016 omdat het dwangakkoord ontbreekt en in de LIC-overzichten niet is vermeld dat de vordering van rechtswege vervalt. Daarentegen stelt UHT dat het schuldtraject in LIC-overzichten is terug te vinden onder de aanduiding “oninbaar geleden”.
De Commissie meent dat niet is gebleken dat de LIC-overzichten inhoudelijk onjuist of onvolledig zijn, en adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter