Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15658

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 20 december 2023 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 15 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 13 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 20 december 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 21 februari 2022 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2015.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 12 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij beschikking van 20 december 2023 met kenmerk UHT-DCHOA (hierna: “het bestreden besluit”) aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 februari 2024, ingekomen op diezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 11 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft op 10 oktober 2025 aanvullende bezwaargronden ingediend.
  • Op 15 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 29 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend en daarin een tweetal vragen beantwoord. Gemachtigde heeft in een e-mailbericht van 7 november 2025 aan de Commissie medegedeeld dat hij geen inhoudelijke opmerkingen heeft na lezing van de nadere schriftelijke reactie van UHT.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de jaren 2009 tot en met 2015 af te wijzen.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T.

In het informatie- en beoordelingsformulier (productie 0200001 bezwaardossier) is voor alle betrokken jaren uitgebreid beschreven en toegelicht welke neerwaartse en opwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.

Gemachtigde heeft in de aanvullende bezwaargronden van 10 oktober 2025 en voorts ook ter zitting erkend dat in de jaren 2010 en 2012 tot en met 2015 de wijzigingen en/of stopzetting van de KOT door belanghebbende zijn doorgegeven. Bezwaren inzake andere aspecten over die jaren zijn niet geuit. De Commissie leidt hieruit af dat die toeslagjaren niet in geschil zijn.

Ten aanzien van toeslagjaar 2009 heeft gemachtigde aangevoerd dat sprake is van vooringenomen handelen. Belanghebbende heeft in september 2009 tijdig een wijziging doorgegeven maar B/T heeft daar niet op gereageerd (brief van 28 september 2009, productie 1209003, pagina 181 bezwaardossier). Er volgt wel een nieuwe voorschotbeschikking in oktober 2009 maar de wijziging is toen niet verwerkt.

Belanghebbende werd geconfronteerd met een terugvordering van €1.131,-. Gemachtigde erkent dat dit bedrag onder de hardheidsgrens van €1.500,- zit zodat van hardheid reeds hierom geen sprake kan zijn. UHT heeft in haar nadere schriftelijke beschouwing op dit standpunt gereageerd en erkend dat de stopzetting niet meteen is verwerkt. Volgens UHT is sprake van een menselijke fout. Van vooringenomen handelen is geen sprake.

De Commissie meent dat uit de feitelijke gang van zaken geen andere plausibele verklaring kan worden gegeven voor het niet onmiddellijk verwerken van de door belanghebbende doorgegeven wijziging, anders dan dat dit een menselijke fout is geweest zoals UHT ook heeft toegelicht. Die enkele fout is onvoldoende om het standpunt van gemachtigde te volgen dat sprake is geweest van vooringenomen handelen.

Daarvoor zijn onvoldoende andere aanknopingspunten voorhanden. Dit bezwaar kan daarom niet slagen.

Ten aanzien van toeslagjaar 2011 wijst gemachtigde op de melding van de ambtshalve stopzetting van 24 november 2010 per 1 januari 2011 (productie 1211017, pagina 303 bezwaardossier). Hoewel, zo heeft gemachtigde aangevuld, deze melding verder niet is doorgevoerd en belanghebbende hiervan ook geen schade heeft geleden, heeft gemachtigde aan UHT ter zitting gevraagd om dit nader te bekijken.

UHT heeft in haar nadere schriftelijke beschouwing toegelicht dat zij geen verklaring kan geven voor deze melding. Het lijkt erop dat het systeem een geautomatiseerde stopzetting heeft gemeld maar dat die stopzetting niet geëffectueerd is, aldus UHT. Belanghebbende heeft hier in ieder geval geen nadeel van ondervonden.

De Commissie heeft op grond van de dossierstukken evenmin aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende enig nadeel heeft ondervonden van deze melding.

Conclusie

De Commissie concludeert op grond van alle voorhanden zijnde stukken dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de betrokken jaren sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Het bezwaar kan daarom niet slagen.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar de opvatting van de Commissie ongegrond is, is er geen aanleiding om een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter