BAC 2025-15764
Publicatiedatum 08-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 8 februari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 2 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 11 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond verklaren en het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017.
Procesverloop
- Op 12 februari 2021 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013, 2014 en 2015. Vervolgens is de herbeoordeling uitgebreid en ziet deze op de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017.
- Op 27 december 2022 heeft UHT aangegeven dat belanghebbende op basis van de eerste lichte toets geen reden ziet voor het uitbetalen van € 30.000.
- Op 15 november 2023 heeft UHT als vooraankondiging aangegeven dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie. Op 13 november 2023 was reeds een zienswijze ingediend.
- Bij beschikking van 8 februari 2024 heeft UHT besloten dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017.
- Op 12 maart 2024 heeft gemachtigde namens belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
- Op 19 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke beschouwing ingediend.
- In september 2025 heeft de gemachtigde zich gesteld als gemachtigde.
- Op 2 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en 2 commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt volgens de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
In het bestreden besluit en de schriftelijke beschouwing heeft UHT uitgebreid beschreven welke zowel opwaartse als neerwaartse wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden.
Het betreffen volgens UHT alle reguliere correcties die zijn gebaseerd op de hoogte van het toetsingsinkomen dan wel door belanghebbende zelf doorgegeven stopzettingen. In toeslagjaren 2014 en 2015 was sprake van dubbele registratie van opvanggegevens. Met de neerwaartse bijstellingen heeft B/T de dubbele registraties hersteld. Op 4 januari 2017 heeft belanghebbende telefonisch doorgegeven dat de KOT voor zowel toeslagjaar 2016 als toeslagjaar 2017 per
1 januari 2016 gestopt moet worden. De beschreven wijzigingen worden ondersteund door de stukken in het bezwaardossier.
Gemachtigde heeft in het kader van deze bezwaarprocedure aangegeven dat volgens belanghebbende in toeslagjaar 2017 wel sprake is geweest van kinderopvang, maar heeft dat niet met objectief verifieerbare stukken onderbouwd. Er zijn bijvoorbeeld geen jaaropgaves of bankoverschrijvingen overgelegd. Ook is niet gebleken dat belanghebbende naar aanleiding van de nihil stellingen heeft gecorrespondeerd met B/T. De Commissie is met UHT van oordeel dat belanghebbende hierdoor niet aannemelijk heeft gemaakt dat in toeslagjaar 2017 inderdaad sprake was van kinderopvang.
Gelet op vorenstaande is er naar het oordeel van de Commissie geen reden het standpunt van UHT onjuist te achten. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2010 en 2012 tot en met 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend en in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Hoewel de Commissie begrip heeft voor het feit dat belanghebbende een moeilijke periode heeft doorgemaakt, heeft zij wat betreft de KOT geen aanknopingspunten gevonden om hier in het geval van belanghebbende anders over te oordelen. Ook is geen sprake van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat geen aanspraak is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie acht de bezwaren ongegrond.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar ongegrond acht, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter