BAC 2025-15308
Publicatiedatum 31-03-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 januari 2024 (UHT-DCHOA)
Hoorzitting: 16 juni 2025
Overdracht advies aan UHT: 11 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag (hierna de bestreden beschikking).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2011 tot en met 2014.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014. Bij aanvang van de herbeoordeling heeft de persoonlijke zaakbehandelaar (hierna: PZB) na een gesprek, in overleg met de belanghebbende, de jaren uitgebreid naar de toeslagjaren 2011 tot en met 2014.
- UHT heeft aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, als bedoeld in de Catshuisregeling
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 29 december 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2011 tot en met 2014.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 januari 2024 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 februari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 16 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier/equality of arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de LIC-overzichten en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 3 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat UHT over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet, terwijl de gegevens hierover wel bij B/T voorhanden waren. UHT stelt zich op het standpunt dat de beslagvrije voet niet van toepassing is op KOT omdat KOT niet wordt beschouwd als inkomensondersteuning, maar is bedoeld als bevordering van de arbeidsparticipatie.
De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij terugvorderingen valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure.
Toeslagjaren 2011 en 2012 – aanvraag KOT
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie af te wijzen. Op grond van artikel 2.1 lid 1 Wht wordt alleen compensatie toegekend aan de aanvrager van KOT. UHT heeft het verzoek om compensatie of tegemoetkoming van belanghebbende afgewezen omdat uit de aan UHT bekende gegevens niet kan worden afgeleid dat belanghebbende KOT voor 2011 en 2012 heeft aangevraagd. De Commissie heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor een andere opvatting dan door UHT gebezigd. Ook op andere gronden is de Commissie van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende KOT voor dit jaar bij de B/T heeft aangevraagd noch dat in dit jaar gekwalificeerde kinderopvang heeft plaatsgevonden. Hierbij neemt de Commissie in aanmerking de verklaring van belanghebbende dat zij geen stukken meer in haar bezit heeft om haar stellingen te onderbouwen. Daarnaast overweegt de Commissie dat de nihilstelling van een KOT-aanvraag niet automatisch betekent dat ook sprake is van vooringenomenheid of hardheid, waardoor belanghebbende recht heeft op compensatie op grond van deze herstelmaatregel; hier is meer voor nodig. Bovendien zijn partijen het erover eens dat geen KOT is uitbetaald aan belanghebbende, evenmin heeft een terugvordering plaatsgevonden. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de Commissie in het bezwaar geen aanleiding om het advies van CvW en de daarop gebaseerde beslissing van UHT onjuist te achten. De Commissie adviseert daarom om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2013 en 2014 – reguliere correcties
Belanghebbende is van mening dat in de jaren 2013 en 2014 sprake is van vooringenomenheid en dat zij (gevolg)schade heeft geleden door het handelen van de B/T. De Commissie overweegt dat, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over de toeslagjaren 2013 en 2014 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De reguliere wijzigingen zien op een stopzetting door belanghebbende en het gebruik door de B/T van de gegevens uit de KOI-viewer. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hardheidsregeling
Belanghebbende doet een beroep op de hardheidsregeling van artikel 9.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Zij stelt dat over het toeslagjaar 2014 weliswaar minder dan € 1.500 aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd, maar dat zij daarnaast € 175 aan eigen bijdrage aan de kinderopvanginstelling heeft betaald. Verder stelt zij dat sprake is geweest van zeer ingrijpende persoonlijke omstandigheden: zij heeft haar zoon destijds naar Aruba moeten sturen. Ook kampte zij met trauma’s die volgens haar rechtstreeks verband houden met de toeslagenproblematiek. De Commissie heeft oog voor de moeilijke persoonlijke situatie van belanghebbende, maar overweegt dat de hardheidsregeling in artikel 9.1 Wht een uitzonderingsbepaling is die slechts kan worden toegepast indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat deze bepaling restrictief moet worden uitgelegd: het gaat om uitzonderlijke situaties waarin strikte toepassing van de wet leidt tot evident onredelijke of onevenredige gevolgen.
De hardheidsregeling is dus niet bedoeld als een algemene billijkheidscorrectie, maar kan slechts worden toegepast wanneer het stelsel van de Wht geen recht doet aan het hersteldoel of wanneer sprake is van evidente disproportionaliteit tussen fout en gevolg. Daarbij geldt dat persoonlijke omstandigheden, hoe ingrijpend ook, in beginsel buiten de reikwijdte van artikel 9.1 vallen als er geen rechtstreeks causaal verband bestaat tussen het handelen van B/T en de gestelde schade of het leed. In dit geval is niet gebleken van een zodanige samenloop van omstandigheden dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard in de zin van artikel 9.1 lid 2 Wht. De terugvordering in 2014 is beperkt gebleven tot een bedrag onder de drempel van € 1.500 en er is geen sprake geweest van onrechtmatig of vooringenomen handelen door de B/T. De Commissie acht de door belanghebbende geschetste omstandigheden weliswaar invoelbaar, maar niet uitzonderlijk in de zin die de wetgever met artikel 9.1 Wht voor ogen heeft gehad. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Gevolgschade
Belanghebbende stelt (gevolg)schade te hebben geleden door het handelen van B/T. De Commissie merkt hierover op dat voor een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade in aanmerking komt de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Ook kan de ouder die ten onrechte een kwalificatie opzet/grove schuld heeft gekregen en daardoor een persoonlijke betalingsregeling of buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Nu de Commissie van mening is dat UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot het besluit om het verzoek om compensatie van belanghebbende af te wijzen, komt belanghebbende ook niet in aanmerking voor aanvullende compensatie of een O/GS tegemoetkoming.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter