Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2025-15817

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 april 2024 (UHT-DCHOA)

Hoorzitting: 30 oktober 2025

Overdracht advies aan UHT: 10 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie of tegemoetkoming toegekend voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 december 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de (toeslag)jaren 2011 tot en met 2016. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling beperkt tot de jaren 2011, 2012 en 2015.
  • UHT heeft bij beschikking van 5 mei 2022, met kenmerk UHT-CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de beoordeling nog niet is afgerond.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft in haar beoordeling van 21 maart 2024 aan UHT geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2015.
  • UHT heeft bij voorlopige beslissing van 30 januari 2024, met kenmerk UHT-VCH A, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op één van de drie herstelregelingen.
  • Belanghebbende heeft op 7 februari 2024 telefonisch en op 12 februari 2024 schriftelijk aan UHT doorgegeven dat zij het niet eens is met de voorlopige beslissing.
  • UHT heeft bij bestreden definitieve beschikking van 3 april 2024, met kenmerk UHT-DCHOA, aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2015.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 mei 2024 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 20 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Gemachtigde heeft op 28 oktober 2025 een aanvullend bezwaar ingediend en de Commissie geïnformeerd dat belanghebbende en zij niet bij de zitting op
    30 oktober aanwezig zullen zijn.
  • Op 30 oktober 2025 heeft de vertegenwoordiger van UHT de reactie van UHT nader mondeling toegelicht. Daarvan is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie in die bijeenkomst verzocht, op
    30 oktober 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Deze is op
    5 november 2025, ter informatie, naar gemachtigde doorgestuurd.
  • Dit advies is gebaseerd op stukken en wordt uitgebracht door de voorzitter en
    twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Onvolledig dossier
Belanghebbende stelt dat zij het hersteldossier niet heeft ontvangen.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de daaraan ten grondslag gelegde stukken en de aanvullende beschouwing zijn respectievelijk op 26 augustus 2025 en 5 november 2025 aan belanghebbende toegezonden.
De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Herbeoordeling toeslagjaren 2011, 2012 en 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2011, 2012 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
Over toeslagjaar 2011 is de KOT niet verlaagd en heeft er ook geen terugvordering plaatsgevonden. De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2012 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Zo heeft belanghebbende op 10 mei 2012 het aantal opvanguren per 16 mei 2012 bijgesteld naar 141 uren gemiddeld per maand, in plaats van 228. Er was ook een wijziging van de kinderopvang-instelling (hierna: KOI). De KOT is nogmaals neerwaarts bijgesteld ten gevolgde van de stopzetting door belanghebbende van de KOT op 31 juli 2012, per 1 augustus 2012. Vervolgens is de KOT uiteindelijk met nog € 4 naar beneden bijgesteld op basis van het feit dat het opgegeven uurtarief hoger was dan het tarief dat maximaal was toegestaan voor KOT. Nu het toetsingsinkomen van belanghebbende lager bleek te zijn, was de neerwaartse correctie minimaal.
De terugvordering KOT over het toeslagjaar 2015 was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Zo had belanghebbende per
14 september 2015 KOT aangevraagd, ten behoeve van de buitenschoolse opvang, maar deze ook alweer per 21 oktober 2015 stopgezet.

Voornoemde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.
Er was ook geen onterechte kwalificatie Opzet/Grove Schuld, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onzorgvuldig en onvoldoende onderzoek
Belanghebbende stelt dat zij volgens B/T in 2012 voor 118 uren aan opvang had doorgegeven terwijl het in werkelijkheid 188 uren betrof. UHT geeft aan dat dit niet om een groot verschil gaat. Belanghebbende acht dit wel een groot verschil. B/T heeft dan ook onzorgvuldig gehandeld en onvoldoende onderzoek verricht.

De Commissie overweegt als volgt. De zinnen waaraan belanghebbende refereert, staan op pagina 28 van het bezwaardossier (met de kanttekening dat het 119 door belanghebbende doorgegeven uren betreft in plaats van 118). Het verschil in opvanguren op pagina 28 van het bezwaardossier ziet echter alleen op de periode van 1 tot en met 31 januari 2012 en niet op de rest van het toeslagjaar 2012. Het verschil in aantal uren wordt verder uitgelegd op de daaropvolgende pagina en in de aanvullende beschouwing van UHT van 30 oktober jl. Hieruit blijkt dat de KOI [naam] in 2012 heeft doorgegeven dat er in de periode januari tot en met 15 mei 751 uur aan kinderopvang is afgenomen, terwijl belanghebbende 844 uur heeft aangevraagd in diezelfde periode.

Desondanks is de KOT ten gevolge hiervan niet neerwaarts gecorrigeerd. Blijkens de definitieve beschikking van 28 januari 2014 is de KOT slechts € 4 neerwaarts gecorrigeerd op basis van het feit dat het opgegeven uurtarief hoger was dan het tarief dat maximaal was toegestaan voor KOT. Het toetsingsinkomen van belanghebbende was lager. De Commissie wijst erop dat in de tijdlijn op pagina 27 van het bezwaardossier staat “Uw kinderopvangtoeslag is verlaagd op basis van gegevens verkregen van uw kinderopvangorganisatie. Uit deze gegevens bleek dat u minder kosten had.” De Commissie verzoekt UHT daar bij het opstellen van de beslissing op bezwaar nog even goed naar te kijken.

Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat B/T hier onzorgvuldig heeft gehandeld. De Commissie adviseert UHT dan ook om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Proceskosten
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter