Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2022-07964

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 februari 2022 (UHT-DC-I A) 21 februari 2022 (UHT-DH A) 21 februari 2022 (UHT-DH5 A)

Behandeling op stukken: 5 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 8 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de beschikkingen van 21 februari 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A in stand te laten.
De Commissie adviseert voorts om geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag van 21 februari 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en de definitieve beschikkingen herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 21 februari 2022 met kenmerken UHT-DH A en UHT-DH5 A.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 14 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2014 tot en met 2018. UHT heeft de toeslagjaren 2016, 2017 en 2018 beoordeeld.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 januari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds golden, niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij bestreden beschikkingen van 21 februari 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2022, ingekomen op 9 juni 2022, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 7 juni 2024, ingekomen op 12 juni 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 8 augustus 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 25 november 2025 is door de juridische ondersteuning van de Commissie een SAS-verzicht KOT ten name van belanghebbende aan de gemachtigde gezonden, inhoudende dat belanghebbende uitsluitend KOT heeft aangevraagd over de jaren 2016 tot en met 2018, doch geen KOT heeft aangevraagd over de jaren 2014 en 2015.
  • Gemachtigde heeft de Commissie op 4 december 2025 geïnformeerd dat belanghebbende afziet van het recht om te worden gehoord.
  • De Commissie ziet ingevolge artikel 7:3 onderdeel c van de Algemene wet bestuursrecht derhalve af van het horen van belanghebbende.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

Onderliggende dossier
Belanghebbende verzoekt om inzage in het onderliggende dossier.

De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 september 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.

Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaren 2016 tot en met 2018

De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikkingen, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 af te wijzen.

Belanghebbende is het niet eens met de afwijzing van compensatie en stelt dat sprake is van vooringenomenheid dan wel hardheid door de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T). Zij voert aan meer te hebben moeten terugbetalen dan uit het dossier blijkt, namelijk € 10.000. Daarnaast stelt belanghebbende dat zij in het verleden bezwaar heeft ingediend tegen terugvorderingsbeslissingen, welke niet in het dossier zijn opgenomen.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, voor zover hier van belang, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van vooringenomenheid of van hardheid in de handelwijze van B/T.

De Commissie stelt ten aanzien van het toeslagjaar 2016 vast dat de KOT eenmaal neerwaarts is bijgesteld vanwege een wijziging in het gezamenlijk toetsings-inkomen. De KOT voor het toeslagjaar 2017 is eveneens eenmalig neerwaarts bijgesteld vanwege een wijziging in het toetsingsinkomen. De KOT voor het toeslagjaar 2018 is ook eenmalig neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van een op 11 april 2018 doorgegeven stopzetting van de KOT door of namens belanghebbende met ingang van 1 maart 2018. Dit komt overeen met de opvanggegevens in de kinderopvanginstelling-viewer waaruit volgt dat in de periode 1 januari 2018 tot en met 28 februari 2018 opvang is genoten.

Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat niet aannemelijk is geworden dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat toepassing van het stelsel te hard is geweest. Voor zover over deze toeslagjaren terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken.

Voor zover belanghebbende betoogt dat zij ten minste € 10.000 heeft moeten terugbetalen aan B/T, overweegt de Commissie dat uit de LIC-overzichten volgt dat voor het toeslagjaar 2016 geen terugvordering van de KOT heeft plaatsgevonden, en dat voor de toeslagjaren 2017 en 2018 respectievelijk € 17 en € 395 aan KOT is teruggevorderd. De Commissie ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze LIC-overzichten te twijfelen.

Ten slotte heeft belanghebbende gesteld dat zij in het verleden bezwaarschriften tegen KOT terugvorderingsbeslissingen heeft ingediend, maar dat deze in het dossier ontbreken. De Commissie heeft dergelijke bezwaren niet aangetroffen en belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat juridische kosten die verband houden met de bezwaarschriften door haar daadwerkelijk zijn gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van deze bezwaarprocedure. Aangezien de Commissie, de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend beantwoordend, zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:

  • het bezwaar tegen de beschikkingen van 21 februari 2022 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren en de beschikkingen in stand te laten;
  • geen vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter