BAC 2024-15213
Publicatiedatum 01-04-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 september 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 10 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 27 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 26 september 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.364,- voor de jaren 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar heeft de beoordeling plaatsgevonden over de jaren 2009, 2010 en 2011.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 31 juli 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor het toeslagjaar 2011 geen herstelregeling van toepassing is.
- UHT heeft bij beschikking van 26 september 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: “de bestreden beschikking”) aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.364,- voor de jaren 2009 en 2010 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 november 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 20 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij brief van 19 augustus 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 9 september 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende bezwaargronden.
- Op 10 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 18 september 2025 een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Op 7 oktober 2025 heeft gemachtigde medegedeeld dat belanghebbende het schikkingsvoorstel heeft afgewezen. Vervolgens heeft gemachtigde, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie van UHT.
- UHT heeft op 16 oktober 2025 een tweede aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Gemachtigde heeft op 24 oktober 2024 opnieuw medegedeeld dat belanghebbende niet akkoord is gegaan met het schikkingsvoorstel en dat zij het bezwaar handhaaft.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich, gelet op de bezwaargronden, gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2009 en 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2011 af te wijzen.
Procedurele bezwaren
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwingen is opgemerkt. De Commissie ziet nu niet in dat UHT het persoonlijk verhaal van belanghebbende –onder meer blijkend uit het beoordelingsformulier – onvoldoende in kaart heeft gebracht. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Persoonlijk dossier/onvolledig dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier en daardoor niet over de benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.
Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de LIC-overzichten en het informatie- en beoordelingsformulier, zijn op 24 maart 2025 aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Het is de Commissie niet gebleken dat in het aan belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Forfaitaire bedrag immateriële schade
Met betrekking tot de hoogte van de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade merkt de Commissie het volgende op.
Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de bestreden beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500,- voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd.
Beoordeling per toeslagjaar
Belanghebbende betoogt dat de jaren die in de beoordeling zijn meegenomen niet op zichzelf staan. Volgens belanghebbende zijn de terugvorderingen over toeslagjaren 2009 en 2010 onterecht en hebben de gevolgen hiervan doorgewerkt naar het toeslagjaar 2011. Daarom heeft zij over 2011 ook recht op compensatie op grond van de Wht.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de KOT bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van 9 maanden definitief had moeten beslissen over de KOT over de desbetreffende toeslagjaren, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar – wat daar verder ook van zij – buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
KOT onjuist vastgesteld
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over de desbetreffende toeslagjaren zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt dus buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
FSV, O/GS en discriminatie
Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat zij in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) heeft gestaan, dat zij niet voor een O/GS-tegemoetkoming in aanmerking komt en dat er geen sprake is geweest van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.
FSV
Belanghebbende stelt dat de nadere onderbouwing voor de constatering dat zij in de FSV was opgenomen, ontbreekt.
Uit de voorhanden zijnde stukken blijkt dat de persoonsgegevens van belanghebbende in de FSV zijn opgenomen. In de nadere beschouwing van UHT, die naar aanleiding van de zitting is verstuurd, is UHT desgevraagd ingegaan op de vermelding van belanghebbende in de FSV. De Commissie constateert dat UHT – die kennelijk zelf niet over toereikende bevoegdheden beschikt om hier de door belanghebbende gewenste informatie te verschaffen – dit in haar nadere aanvullende beschouwing intussen heeft gedaan.
O/GS-kwalificatie
UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie over de toeslagjaren 2009 en 2010 (productie 2700101, pagina 361 van het ouderdossier), maar dat een tegemoetkoming daarvoor achterwege blijft omdat belanghebbende over deze jaren gecompenseerd is voor vooringenomen handelen. Over toeslagjaar 2011 is geen O/GS vastgesteld, zodat belanghebbende over dat jaar niet in aanmerking komt voor de O/GS-tegemoetkoming, aldus UHT. Volgens belanghebbende is het bestreden besluit op het punt van de O/GS-kwalificaties onvoldoende onderbouwd en missen de onderliggende stukken in het dossier.
De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwingen en de onderliggende stukken zijn toegezonden, daarmee is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kunnen die gebreken naar het oordeel van de Commissie in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar schriftelijke beschouwingen en op de hoorzitting is opgemerkt. De Commissie volgt UHT bovendien in haar standpunt dat de O/GS-tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2009 en 2010 achterwege blijft op grond van artikel 2.6 lid 4 van de Wht. Met betrekking tot toeslagjaar 2011 is de Commissie van oordeel dat geen sprake is geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook voor dat toeslagjaar geen aanspraak kan worden gemaakt op de O/GS-tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Discriminatie
Belanghebbende stelt dat in haar geval sprake is geweest van discriminatie. Zij voert aan dat UHT in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina 31 van het ouderdossier) geen afdoende antwoord heeft gegeven op de vraag of discriminatie heeft plaatsgevonden. Tijdens de zitting heeft de UHT-vertegenwoordiger verklaard begrip te hebben voor de vragen van belanghebbende en erkend dat het wenselijk is dat hierover een duidelijk antwoord wordt verstrekt.
De Commissie stelt vast dat UHT in de aanvullende beschouwingen van 18 september 2025 en 16 oktober 2025 een nadere en uitgebreide toelichting op dit punt heeft gegeven. Zij gaat er van uit dat belanghebbende daarmee de gewenste toelichting heeft gekregen op haar vragen.
De Commissie overweegt voorts dat zij in het kader van de hersteloperatie toeslagen niet de bevoegdheid heeft om te beoordelen of in het geval van een belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. Overigens constateert de Commissie dat in deze bezwaarprocedure niet ter discussie staat dat belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 is gecompenseerd vanwege institutioneel vooringenomen handelen door B/T. Deze compensatie is gebaseerd op forfaitaire compensatiebedragen en houdt geen rekening met individuele omstandigheden. Bij de Commissie Werkelijke Schade worden deze individuele omstandigheden wel meegewogen en kan – indien daartoe aanleiding bestaat – er een vergoeding worden toegekend voor ervaren discriminatie. Het bezwaar kan op dit onderdeel dan ook niet leiden tot het door belanghebbende beoogde resultaat.
Toeslagjaren
Toeslagjaar 2009
UHT heeft toegelicht dat de wijziging van 28 april 2009 als aanvraag is behandeld. Het is voor de Commissie uit de voorhanden zijnde stukken bovendien niet aannemelijk geworden dat sprake is van (eerdere) beschikkingen die van invloed kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van het bedrag aan compensatie waar belanghebbende op grond van de Wht recht op heeft over het toeslagjaar 2009. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende betoogt dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor het toeslagjaar 2011. De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2011 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel van hardheid van het stelsel. De neerwaartse correcties in KOT over dit toeslagjaar waren gelegen in een door belanghebbende zelf doorgegeven stopzetting van de KOT per 27 maart 2011 en in een verandering in het toetsingsinkomen van belanghebbende. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Zoals hierboven vermeld, is naar het oordeel van de Commissie ook geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Overig bezwaar
De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.
Nu het bezwaar tegen de bestreden beschikking naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en de Commissie adviseert tot het in stand laten van de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH, bestaat geen aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter